De op Prinsjesdag gelanceerde wetsvoorstellen zijn inmiddels door het nieuwe kabinet aangevuld met een aantal nieuwe voorstellen. Eén daarvan betreft een beperking van de fiscale faciliteiten voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Op onze website vindt u een uitgebreide samenvatting van de voorstellen.
Als het aan het nieuwe kabinet ligt zullen én de 1,3% heffingskorting én de mogelijkheid om verlies te nemen komen te vervallen. Dat betekent dat alleen nog de vrijstelling in box 3 behouden blijft en dat het risico dat de beginnende ondernemer de lening toch niet kan terugbetalen, weer volledig bij de geldverstrekker ligt en hij een kwijtschelding niet meer in aftrek kan brengen.
Inwerkingtreding en overgangsrecht
Het is de bedoeling dat de beperkingen al gaan gelden met ingang van 1 januari 2011. Wél bevat het wetsvoorstel een overgangsregeling voor verliezen op directe durfkapitaalleningen die vóór 1 januari 2011 zijn verstrekt. Deze verliezen komen ook na 1 januari 2011 nog voor aftrek in aanmerking.
Wat te doen?
Wees uiterst voorzichtig bij de toepassing van de durfkapitaalregeling! Wilt u na 1 januari 2011 een lening verstrekken aan een startende ondernemer en is er wel een kans dat het bedrag niet of niet geheel kan worden terugbetaald. Dan zijn er ook alternatieven denkbaar om het risico zoveel mogelijk te beperken. Bespreek deze alternatieven met uw adviseur.
|
Tip
|
|
Wilt u binnenkort overgaan tot het verstrekken van een lening, dan kan het gezien het overgangsrecht zinvol zijn om nog vóór de jaarwisseling de lening in de vorm van een durfkapitaallening te verstrekken. U verliest dan wel de heffingskorting van 1,3 % per 1 januari 2011, maar u kunt nog wel bij oninbaarheid een verlies in aftrek brengen.
|
|
Let er daarbij wel op dat wordt voldaan aan de voorwaarden, zoals hieronder samengevat.
|
De huidige durfkapitaalregeling in het kort
Voor de zogenaamde durfkapitaalleningen, in de volksmond ook wel tante Agaath-leningen genoemd, gelden onder bepaalde voorwaarden fiscale tegemoetkomingen. Voldoet de lening aan een aantal voorwaarden dan biedt dat degene die de lening verstrekt op dit moment nog de volgende voordelen:
-
De lening is de eerste acht jaar vrijgesteld voor de vermogensrendementsheffing in box 3 tot maximaal (in 2010) € 55.145 per persoon. Dat levert een belastingbesparing op voor de geldverstrekker van maximaal 1,2% van € 55.145, ofwel € 662.
-
Wordt de lening geheel of gedeeltelijk niet terugbetaald, dan kan de geldverstrekker de geldlening geheel of gedeeltelijk kwijtschelden en dan kan hij het kwijtgescholden bedrag tot een maximum van € 46.984 per startende ondernemer in aftrek brengen voor de inkomstenbelasting. De voorwaarden hiervoor zijn:
-
het bedrag is binnen acht jaar na het verstrekken van de lening kwijtgescholden; en
-
de belastingdienst heeft een beschikking afgegeven dat de startende ondernemer het kwijt te schelden bedrag niet meer kan terugbetalen;
-
de geldverstrekker krijgt een extra heffingskorting op de inkomstenbelasting die 1,3% van de gemiddelde vrijstelling in box 3 bedraagt. De gemiddelde vrijstelling is zoals vermeld maximaal € 55.145.
Zoals al is opgemerkt gelden wel de nodige voorwaarden. Zo moet de lening minimaal € 2.269 bedragen en moet de geldlener een zogenoemde beschikking beginnende ondernemer aanvragen. In zo’n beschikking staat dan dat de geldlener in het jaar waarin hij de lening heeft gekregen of in het volgende jaar in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek en hij nog geen zeven jaar zelfstandigenaftrek heeft gehad.
Daarnaast wordt er aan de leningovereenkomst een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet die schriftelijk worden opgesteld en binnen vier weken zijn geregistreerd bij de Belastingdienst. In die schriftelijke overeenkomst moet vervolgens het volgende worden bepaald:
-
een bepaling dat het gaat om de regeling voor durfkapitaal;
-
de lening moet gedurende de eerste acht jaar achtergesteld zijn bij de andere (gewone) schuldeisers;
-
de lening moet worden gebruikt voor de financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren;
-
de geldverstrekker verklaart dat hij geen geld heeft geleend om de lening te kunnen verstrekken;
-
de looptijd van de lening;
-
de naam en het BSN van de geldverstrekker en van de geldlener;
het rentepercentage waartegen de lening is afgesloten. Hierbij mag maximaal de wettelijke rente van art. 6:120 BW worden gehanteerd (op 1-1-2010: 3%) welke van toepassing is op het moment van afsluiten van de lening. Een latere stijging of daling van de wettelijke rente is daarbij niet van belang.
De faciliteit kan overigens niet altijd worden toegepast. Geldleningen waarbij de geldverstrekker de partner is of degene met wie de schuldenaar de onderneming drijft, komen hiervoor niet in aanmerking.
Het fenomeen durfkapitaallening wordt vaak gebruikt in het kader van de overdracht van een bedrijf en dan vooral in familiesituaties. Het komt namelijk vaak voor dat de overnemer het bedrijf niet volledig gefinancierd krijgt. Er zijn dan verschillende manieren waarop de overdrager de overnemer kan financieren. Een belangrijke is de durfkapitaallening. Buiten de jaarlijkse voordelen die altijd zijn meegenomen - de vrijstelling in box 3 tot € 55.145 en de extra heffingskorting van 1,3% - geldt er immers een zeer belangrijke faciliteit. Namelijk dat op het moment dat de geldlener de lening niet meer kan terugbetalen de geldverstrekker het verlies ook in zijn aangifte kan verwerken als een aftrekpost (tot maximaal € 46.984 per startende ondernemer). Daarmee wordt immers het risico voor de geldverstrekker aanzienlijk beperkt.