Inloggen  |  UK  |  Fr  |  De
Zoeken:

Fiscaal Pakket Belastingplan 2011 - Ondernemers en particulieren

Laatst gewijzigd: donderdag 4 november 2010

Dinsdag 21 september zijn zoals gebruikelijk ook de fiscale wetsvoorstellen voor 2011 ingediend. Gezien de demissionaire status van het kabinet was niet veel schokkends te verwachten.

Zoals u van ons bent gewend hebben we een uitgebreide samenvatting gemaakt van de verschillende voorstellen. Daarbij hebben we een onderverdeling gemaakt. Voor die onderverdeling verwijzen wij u naar het inleidende document.

Hieronder treft u een samenvatting aan van de voorgestelde maatregelen die relevant zijn voor zowel ondernemers als particulieren.

De wetsvoorstellen zullen nog worden aangepast/aangevuld. Inmiddels heeft de nieuwe staatssecretaris van Financiën Weekers de eerste wijzigingen aangebracht via de eerste en tweede nota van wijziging van het Belastingplan 2011 en de Overige fiscale maatregelen 2011. In die tweede nota van wijziging is de hand van het nieuwe kabinet al goed te herkennen. Daarin wordt immers voortgeborduurd op de plannen die al in het Regeerakkoord waren opgenomen. Hierna wordt onder meer ook ingegaan op het afschaffen van de bestaande heffingskortingen voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal en de afschaffing van de mogelijkheid om verliezen op beleggingen in de aangifte te verwerken. Daarnaast wordt een aantal maatregelen voorgesteld die in de rubriek Ondernemers verder worden samengevat, maar indirect ook de particulier zullen treffen. Daarbij valt bijvoorbeeld aan de verhoging van de btw-tarieven voor (onder meer) podiumdiensten en de verhoging van het tarief van de assurantiebelasting met 2%.

De wijzigingen zijn verwerkt in het hiernavolgende. Vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

Inhoudsopgave:

1

Algemeen

1.1

Koopkrachtpakket

1.2

Partnerbegrip

2

Inkomstenbelasting

2.1

Toerekening inkomensbestanddelen

2.2

Splitsingsproblematiek lijfrenten

2.3

Reparatie aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

2.4

Vrijstelling MKB-beleggingen g aat niet door

2.5

Aftrek uitgaven monumentenpanden

2.6

Aanpassing middelingsregeling

2.7

 beleggingen en beleggingen in durfkapitaal

2.8

 Verlies op belegging in durfkapitaal niet meer aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek

3

Overdrachtsbelasting

3.1

Onroerende-zaaklichamen

4

Toeslagen

4.1

Herzien van toeslagen in voordeel belanghebbende

4.2

Dwangsom toeslagen

5.

Invordering

5.1

Doorlopend beslag

5.2

Reparatie verzet tenuitvoerlegging dwangbevel

5.3

Overgangsrecht Vierde tranche AWB

6

Diversen

6.1

Verhoging tabaksaccijns

 

1.1 Koopkrachtpakket

De hoogte van diverse heffingskortingen en de lengte van de tariefschijven zijn aangepast. Voor een overzicht verwijzen wij naar onderstaande tabel.

Heffingskortingen

2010

mutatie 2011

Stand 2011

mutatie 2012

Algemene heffingskorting

1.987

-/- € 11 (BP 2009) + € 11 (BP 2011), geen indexering (BP 2008)

1.987

-/- 13

Arbeidskorting maximaal

1.489

+ € 60 (BP 2008) + indexeren + € 15 (BP 2011)

1.574

afbouw arbeidskorting voor hoge inkomens

56

+ € 60 (BP 2008) + indexeren -/- € 40 (BP 2011)

77

Ouderenkorting

684

indexeren + € 50 (BP 2011)

739

Alleenstaande ouderenkorting

418

indexeren

421

Inkomensafh. combinatiekorting basis

775

indexeren

780

Inkomensafh. combinatiekorting maximum

1.859

indexeren

1.871

Alleenstaande-ouderkorting

945

indexeren -/- € 20 (BP 2011)

931

Aanvullende alleenstaande-ouderkorting

1.513

indexeren

1.523

Jonggehandicaptenkorting

691

indexeren

696

Levensloopverlofkorting

199

indexeren

201

 

Schijven en grenzen

Grens eerste schijf

18.218

indexeren + € 300 (BP 2011)

18.628

Grens tweede schijf geboren voor 1-1-1946

32.738

indexeren + € 550 (BP 2011)

33.485

Grens tweede schijf geboren 1-1-1946 of later

32.738

75% indexeren (BP 2009) + € 550 (BP 2011)

33.436

Grens derde schijf

54.367

indexeren + € 1.000 (BP 2011) (mutaties betreffen IB/LB-tarieven)

55.694

 

 

Tarieven - totaal IB/LB en volksverzekeringen

 

Tarief eerste schijf < 65 jaar

33,45%

-/- 0,45% (BP 2011)

33,00%

+0,15%

Tarief eerste schijf 65 jaar en ouder

15,55%

-/- 0,45% (BP 2011)

15,10%

+0,15%

Tarief tweede schijf < 65 jaar

41,95%

41,95%

Tarief tweede schijf 65 jaar en ouder

24,05%

24,05%

Tarief derde schijf

42,00%

42,00%

Tarief vierde schijf

52,00%

52,00%

Terug

1.2 Partnerbegrip

Per 1 januari 2011 treedt het basispartnerbegrip van de Algemene wet inzake rijksbelasting in werking. Het basispartnerbegrip geldt voor alle belastingwetten. In die belastingwetten kunnen vervolgens wel weer afwijkende regels worden opgenomen. Dat geldt ook voor de Successiewet 1956. In deze wet wordt – vanwege het specifieke karakter van de schenk- en erfbelasting – nog een aantal aanvullende eisen gesteld. Hoewel de tekst van het partnerbegrip in de Successiewet 1956 (zoals die met ingang van 1 januari 2010 geldt) wordt aangepast, wordt hier geen wijziging mee beoogd.

Eén van de voorwaarden voor ongehuwd samenwonenden om voor de AWR, de Wet IB 2001 en de Awir als partner te kwalificeren is dat beide belastingplichtigen op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven. Een gezamenlijke inschrijving is echter niet langer mogelijk bij opname van één van beiden in een verpleeg- of verzorgingshuis.

In de Succesiewet 1956 is voor deze situatie al een uitzondering op het partnerbegrip opgenomen. Voorgesteld wordt om een dergelijke uitzondering ook te laten gelden voor het basispartnerbegrip in de AWR en voor de Wet IB 2001 en de Awir.

Terug

2.1 Toerekening inkomensbestanddelen

Het fiscaal pakket Belastingplan 2011 komt met een aantal vereenvoudigingen in de toerekening van inkomens- en vermogensbestanddelen. Dit mede met het oog op de vooringevulde aangifte.

  • Vermogensbestanddelen van minderjarige kinderen werden al als vermogensbestanddeel toegerekend aan de ouder. Dat gebeurt nu ook met ingehouden dividendbelasting.

  • Partners kunnen sommige inkomens- en vermogensbestanddelen naar keuze onderling verdelen. Op dit moment geldt dat ook voor de als voorheffing geheven dividendbelasting die ziet op inkomsten in box 2 en 3. Daar gaat met ingang van 1 januari 2011 verandering in komen. Vanaf dat moment wordt tevens toerekening naar keuze mogelijk van dividendbelasting op inkomsten in box 1

  • Fiscale partners mogen voortaan de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen (box 3) verdelen conform de verdeling van het vermogen in box 3.

Terug

2.2 Splitsingsproblematiek lijfrenten

Lijfrentepremies zijn aftrekbaar van uw belastbaar inkomen wanneer u een pensioentekort heeft. Lijfrentepremies zijn soms gedeeltelijk aftrekbaar.

Tot 2009 moest u als gevolg van die gedeeltelijke aftrekbaarheid gaan splitsen. De lijfrente moest dan voor het deel dat stond tegenover de niet-aftrekbare lijfrente worden opgenomen in box 3, waardoor u daarover jaarlijks 1,2 procent belasting moest betalen. Een latere uitkering was, voorzover die op dat deel zag, dan niet nog eens in box 1 belast.
Over het deel van de uitkering dat wel zag op afgetrokken premies moest u vanzelfsprekend progressieve inkomstenbelasting in box 1 betalen.

Deze ingewikkelde regel is sinds 1 januari 2009 ‘vereenvoudigd’. Sindsdien worden uitkeringen uit een lijfrentepolis standaard progressief in box 1 belast. Ongeacht of de ingelegde premie al dan niet is afgetrokken.

Voor niet-afgetrokken premies van vóór 1 januari 2001 gold altijd al de zogenaamde saldomethode. Op grond van die saldomethode zijn de uitkeringen belastingvrij, voorzover zij staan tegenover de niet-afgetrokken premies.
Diezelfde saldomethode had men ook in de wet opgenomen voor tussen 2001 en 2008 niet-afgetrokken premies, waarbij deze ‘onbeperkte’ saldomethode voor zogenaamde pre-Brede-Herwaarderingspolissen (polissen van vóór 14 september 1999) een jaar langer, dus t/m 2009 liep.
Voor met ingang van 2009 (2010 bij pre-Brede Herwaarderingspolissen) niet afgetrokken premies gold een beperkte saldomethode van € 2.269 in totaal per jaar.

Wijzigingen

In het Fiscaal pakket Belastingplan 2011 wordt nu wettelijk geregeld dat nu voor alle uitkeringen uit een lijfrentepolis dezelfde voorwaarden gelden. Deze zijn:

  • voor niet-afgetrokken premies van vóór 2010 geldt de onbeperkte saldomethode,en

  • voor niet-afgetrokken premies vanaf 2010 geldt de saldomethode slechts tot een bedrag van 2.269 euro per jaar

Daarnaast is nu geregeld dat u bij de (gedeeltelijke) afkoop van een lijfrente op dezelfde wijze rekening houden met de vóór 2010 en vanaf 2010 niet-afgetrokken lijfrentepremies.

Tips

1. Is uw premie niet meer geheel aftrekbaar, dan is het verstandig om u te gaan herbezinnen op uw lijfrentepolis. Zeker wanneer u voor het niet-aftrekbare deel ook niet de saldomethode kunt toepassen. Dat zou immers betekenen dat de uitkering tegenover dat niet aftrekbare deel belast is, terwijl u geen recht op aftrek heeft gehad.

2.Wilt u gebruikmaken van de saldoregeling, dan zult u ten tijde van de uitkering of afkoop zelf aannemelijk moeten maken dat u (een gedeelte van) de premies niet heeft afgetrokken. Het is verstandig dat u de aangiften en de aanslagbiljetten bewaart over de jaren waarin u de premies niet volledig heeft afgetrokken.

Terug

2.3 Reparatie aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Wanneer u uw woningschuld (grotendeels) heeft afgelost, kunt u een korting krijgen op het eigenwoningforfait (de zogenoemde wet ‘Hillen’). Het verschuldigde eigenwoningforfait bedraagt dan per saldo niet meer dan de kosten die u in aftrek brengt op uw inkomstenbelasting, zoals hypotheekrente en erfpacht. Kortom: trekt u niets af, dan bent u per saldo ook niets verschuldigd.

In de huidige situatie kunnen personen van deze regeling gebruikmaken door (onder voorwaarden) te schuiven met de hypotheekrente of door het aangaan van een personeelslening tegen een laag of nihil percentage. Ditzelfde geldt wanneer een directeur-grootaandeelhouder een lening afsluit bij zijn bv met een nihilrente. De aanvullende wetgeving moet deze, volgens het kabinet onbedoelde, toepassingen verhinderen.

Terug

2.4 Vrijstelling MKB-beleggingen

Met ingang van 2010 is een vrijstelling in box 3 opgenomen voor de zogenaamde MKB-beleggingen, inclusief een heffingskorting. MKB-beleggingen zijn aandelen in een MKB-onderneming of in een zogenaamd MKB-fonds. Deze nieuwe regeling is echter nog niet in werking getreden in afwachting van een goedkeuring van de Europese Commissie (EC). Die goedkeuring is, zij het onder voorwaarden, inmiddels door de Europese Commissie gegeven. Maar, nadat eerst in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2011, een aantal aanpassingen is voorgesteld om te voldoen aan de gestelde voorwaarden, is door het nieuwe kabinet in de tweede nota van wijziging voorgesteld om de vrijstelling toch maar in zijn geheel te laten vervallen.

Terug

2.5 Aftrek uitgaven monumentenpanden

Voor de aftrek uitgaven monumentenpanden gelden nu twee afzonderlijke regels:

  • een regeling voor monumentenpanden die in box 3 vallen en

  • een regeling voor monumentenpanden die als eigen woning in box 1 vallen

    • op grond van de hoofdregel of

    • omdat ze leeg staan, of in aanbouw zijn en de belastingplichtige aannemelijk kan maken dat hij deze in het jaar zelf of één van de volgende twee jaren als eigen woning zal bewonen.
      In de huidige situatie valt een deel van de bezitters van monumentale panden buiten de boot. Daarom is de regeling voor het als eigen woning aangemerkte pand verruimd. Het gaat hierbij om de situaties waarin:

  • de woning in de verkoop staat,

  • de woning na een echtscheiding nog twee jaar geldt als eigen woning,

  • de eigenaar de eigen woning aanhoudt tijdens een verblijf in een AWBZ-instelling en

  • de eigenaar het pand als eigen woning aanhoudt gedurende een tijdelijk verblijf elders.

Terug

2.6 Aanpassing middelingsregeling

Belastingplichtigen waarvan de jaarlijkse inkomsten (sterk) fluctueren, kunnen (door onze progressieve tariefstructuur) meer belasting verschuldigd zijn, dan belastingplichtigen waarvan de inkomsten gelijkmatig over de jaren verdeeld zijn. Daarom bestaat voor die eerstgenoemde belastingplichtigen de zogenaamde middelingsregeling. Op grond van die middelingsregeling kunnen zij verzoeken het belastbare inkomen (uit werk en woning) gelijkmatig te verdelen over drie achtereenvolgende jaren. Is het verschil tussen de daadwerkelijk geheven belasting en de herrekende belasting meer dan € 545, dan krijgt de belastingplichtige het meerdere terug.

Volgens de huidige tekst van de regeling geldt deze alleen voor binnenlandse belastingplichtigen en buitenlandse belastingplichtigen die voor alle jaren van het middelingstijdvak hebben gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.

De tekst wordt nu veranderd naar aanleiding van een uitspraak van het Hof Den Bosch van 18 juni 2010. Voorgesteld is nu om de regeling ook mogelijk te maken voor buitenlandse belastingplichtigen die niet (voor alle jaren) hebben gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat in alle jaren van het middelingstijdvak waarin men niet heeft gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige het wereldinkomen voor 90% of meer in Nederland aan de loon- of inkomstenbelasting moet zijn onderworpen.

Terug

2.7 Afschaffing heffingskortingen maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal

In box 3 zijn vrijstellingen opgenomen voor bepaalde beleggingen. Aan deze vrijstellingen in box 3 zijn heffingskortingen gekoppeld. Dit ziet op de vrijstellingen voor:

  1. maatschappelijk beleggingen, zijnde groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen en
  2. beleggingen in durfkapitaal, zijnde directe en indirecte beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen.

Voor ieder van de beide categorieën geldt een vrijstelling in box 3 van maximaal € 55.145 (2010). Dat levert per categorie een belastingvoordeel op van maximaal 1,2% van € 55.145, ofwel € 662. Aan deze vrijstellingen wordt door het nieuwe kabinet niet getornd.  

Wat het kabinet betreft komt er met ingang van 1 januari 2011 wel een einde aan de heffingskortingen voor maatschappelijke beleggingen en voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen van 1,3% van de belegging tot maximaal het vrijgestelde bedrag.

Terug

2.8 Verlies op belegging in durfkapitaal niet meer aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek

Het nieuwe kabinet stelt in de tweede nota van wijziging tevens voor de  persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal (de zogenoemde Tante Agaath-regeling) af te schaffen.

Op dit moment kan een verstrekker van een durfkapitaallening een kwijtgescholden bedrag nog tot een maximum van € 46.984 per startende ondernemer in aftrek brengen voor de inkomstenbelasting. Dan moet het bedrag wel binnen acht jaar na het verstrekken van de lening worden kwijtgescholden én

de belastingdienst moet een beschikking afgegeven hebben dat de startende ondernemer het kwijt te schelden bedrag niet meer kan terugbetalen. Die tegemoetkoming komt dus te vervallen per 1 januari 2011.

Er geldt wel een overgangsregeling voor verliezen op als directe beleggingen in durfkapitaal kwalificerende geldleningen die vóór 1 januari 2011 zijn verstrekt. Deze verliezen komen ook na 1 januari 2011 nog voor aftrek in aanmerking.

Door het vervallen van de mogelijkheid om een eventueel verlies te kunnen aftrekken komt het risico dat de beginnende ondernemer de lening toch niet kan terugbetalen, weer volledig bij de geldverstrekker te liggen. Dit, in combinatie met het vervallen van de heffingskorting, zal ertoe leiden dat het gebruik van de durfkapitaalregeling sterk zal gaan afnemen.

Terug

3.1. Onroerende-zaaklichamen

Verkrijgingen van onroerende zaken zijn belast met 6 procent overdrachtsbelasting, tenzij er een vrijstelling geldt. Om ervoor te zorgen dat die heffing niet eenvoudig kan worden omzeild door de onroerende zaken in te brengen in een bv om vervolgens bijvoorbeeld de aandelen van die bv te verkopen is er ook een speciale regeling opgenomen voor onroerende-zaaklichamen. De regeling is opgenomen in artikel 4 Wet Belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR).

Het kabinet stelt nu voor om de speciale regeling voor onroerende-zaaklichamen per 1 januari 2011 nog meer aan te scherpen, om zo constructies met die onroerende zaaklichamen te voorkomen.

Het kabinet stelt voor om:

  • De bezitseis zodanig aan te passen dat sprake is van een onroerende-zaaklichaam als

    • ten minste 50 procent van de bezittingen bestaat uit binnen- en/of buitenlandse onroerende zaken,

    • ten minste 30 procent van de bezittingen uit Nederlandse onroerende zaken en voorts

    • ten minste 70 procent van de totale onroerende zaken voldoet aan de doeleis–

  • Het consolidatievoorschrift van het huidige artikel 4 lid 4 WBR een ruimer bereik te geven.

  • Bepaalde vermogensbestanddelen als ‘verdacht’ aan te merken, zodat deze buiten aanmerking worden gelaten bij de toets of het lichaam voldoet aan de bezitseis. Volgens de minister van Financiën gaat het hierbij om kunstmatig gecreëerde – niet uit de normale bedrijfsuitoefening voortvloeiende – roerende bezittingen. Zoals vorderingen op verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen.

  • Verkrijgingen binnen een periode van twee jaar door ‘een nauw verwante groep’ te beschouwen als een verkrijging ingevolge een ‘samenhangende overeenkomst’.

  • Wijziging van aandeelhoudersrechten ook mogelijk als een belastbaar feit aan te merken.

Terug

4.1 Herzien van toeslagen in voordeel belanghebbende

Op dit moment is het niet mogelijk om na het verstrijken van een bezwaartermijn een definitief toegekende toeslag te laten verhogen, wanneer die te laag blijkt te zijn. Het fiscaal pakket Belastingplan 2011 voorziet in een wettelijke mogelijkheid om toch een herzieningsverzoek in te dienen in gevallen waarin de bezwaartermijn al is verstreken. Dit gaat gelden voor beschikkingen waarvan de dagtekening ligt na 31 december 2010.

Terug

4.2 Dwangsom toeslagen

U heeft in bepaalde gevallen recht op een vergoeding (dwangsom) als de overheid te laat een besluit neemt op uw aanvraag of bezwaarschrift. Voorgesteld wordt de toepassing van de dwangsomregeling op de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet te laten gelden voor beschikkingen met betrekking tot berekeningsjaren tot en met 2013.

Terug

5.1 Doorlopend beslag

Het is de bedoeling om een door een derde gelegd beslag op een nog uit te betalen voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting of een voorschot op een toeslag voortaan te laten doorlopen over de jaargrens. Zo’n doorlopend beslag geldt alleen voorzover de schuld waarop beslag is gelegd daartoe aanleiding geeft. Volgens het kabinet leidt dat tot een besparing voor de schuldenaar (die geen kosten voor een nieuw beslag voor z’n kiezen krijgt) en voor de Belastingdienst (die daardoor uitvoeringskosten bespaart).

Terug

5.2 Reparatie verzet tenuitvoerlegging dwangbevel

Een arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009 maakt het mogelijk om in verzet te gaan tegen een tenuitvoerlegging van een dwangbevel wanneer iemand stelt dat hij een aanslagbiljet, aanmaning of per post betekende dwangbevel niet heeft ontvangen. Voorheen werd het niet ontvangen van een aanslagbiljet, aanmaning of per post betekende dwangbevel niet erkend als grond voor verzet. De belastingschuldige moet wel aannemelijk kunnen maken dat aan de ontvangst van het poststuk redelijkerwijs moet worden getwijfeld.

Terug

5.3 Overgangsrecht Vierde tranche AWB

In de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (AWB) is overgangsrecht opgenomen. Kort gezegd is daarin geregeld dat op schulden die zijn ontstaan of vastgesteld voor 1 juli 2009, het recht geldt zoals dat gold vóór die datum. In het onderhavige wetsvoorstel wordt wat betreft de invordering van rijksbelastingen van dit overgangsrecht afgeweken op het punt van de verjaring van de rechtsvordering tot betaling.

Terug

6.1 Verhoging tabaksaccijns

De accijns op sigaretten en rooktabak (shag) gaat per 1 maart 2011 verder omhoog met respectievelijk 11,68 euro per 1.000 stuks sigaretten en 4,93 euro per 1.000 gram shag. Een pakje sigaretten van 19 stuks wordt met deze accijnsverhoging inclusief btw iets meer dan 26 cent duurder.

Terug


                                                                                               

Vestigingen

Alkmaar Amsterdam Harlingen Groningen Assen Sneek Joure Wolvega Drachten Stadskanaal Emmen Hardenberg Ootmarsum Oldenzaal Almelo Dalfsen Zwolle Raalte Deventer Lochem Winterswijk Emmeloord Urk Dronten Ulft Doetinchem Zevenaar Arnhem Elst Nijmegen Spakenburg Ede Maastricht Brunssum Zeist Houten Geldermalsen Den Bosch Uden Helmond Eindhoven Valkenswaard Diessen/Hilvarenbeek Amersfoort Roermond Etten-Leur Katwijk Den Haag Zeewolde Harderwijk Zwaagdijk-Oost Schagen Heerhugowaard IJmond Haarlem Hoofddorp Aalsmeer Mijdrecht Lisse Roelofarendsveen Alphen aan den Rijn Woerden Ridderkerk Naaldwijk Bleiswijk Zoetermeer Venlo Bergen (L) Deurne Almere Boskoop Haaksbergen Groenlo Lichtenvoorde

ad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kies uw vestiging

GIBO Groep Accountants en Adviseurs
Als je bedrijf je leven is

Hoofdkantoor:
GIBO Groep Arnhem
Meander 261, 6825 MC
Telefoon (026) 354 26 00

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief

Heeft u vragen?
Neem contact met ons op.
Vraag hier brochures/folders over onze dienstverlening aan.
Contact met één van onze 60 vestigingen.