Inloggen  |  UK  |  Fr  |  De
Zoeken:

Fiscaal Pakket Belastingplan 2011 - Ondernemers

Laatst gewijzigd: donderdag 4 november 2010

Dinsdag 21 september zijn zoals gebruikelijk ook de fiscale wetsvoorstellen voor 2011 ingediend. Gezien de demissionaire status van het kabinet was niet veel schokkends te verwachten.

Zoals u van ons bent gewend hebben we een uitgebreide samenvatting gemaakt van de verschillende voorstellen. Daarbij hebben we een onderverdeling gemaakt. Voor die onderverdeling verwijzen wij u naar het inleidende document.

Hieronder treft u een samenvatting aan van de voorgestelde maatregelen die specifiek relevant zijn voor ondernemers.

De wetsvoorstellen zullen nog worden aangepast/aangevuld. Inmiddels heeft de nieuwe staatssecretaris van Financiën Weekers de eerste wijzigingen aangebracht via de eerste en tweede nota van wijziging van het Belastingplan 2011 en de Overige fiscale maatregelen 2011. In die tweede nota van wijziging is de hand van het nieuwe kabinet al goed te herkennen. Daarin wordt immers voortgeborduurd op de plannen die al in het Regeerakkoord waren opgenomen. Zo komen de bestaande heffingskortingen voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal te vervallen en zal het niet meer mogelijk zijn om verliezen op beleggingen in de aangifte te verwerken. U vindt daarover meer in de rubriek Ondernemers en particulieren.

De verschillende wijzigingen zijn verwerkt in het hiernavolgende. Vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

Inhoudsopgave:

1

Ondernemerschap

1.1

Verlengen tijdelijke willekeurige afschrijving

1.2

Verlaging tarief vennootschapsbelasting

1.3

Verlenging ruimere achterwaartse verliezen vennootschapsbelasting

1.4

Heffingstijdvak buitenlandse belastingplichtigen vennootschapsbelasting

1.5a

Reparatie constructies winstvennootschappen

1.5b

Reparatie constructies verliesvennootschappen

1.5c

Wijze van reparatie constructies winst- en verliesvennootschappen

1.6

Modernisering dividendnota

2

Innovatief ondernemerschap

2.1

Stimulering speur- en ontwikkelingswerk

2.2

Verruiming innovatiebox

3

Loonheffingen

3.1

Versoepeling werkkostenregeling

3.2

Loon in, loon over

3.3

Vrijstelling premie arbeidsinschakeling en vergoeding vrijwilligerswerk

3.4

Jaarloonuitvraag

3.5

Premiepensioeninstelling

4

Btw

4.1

Btw-regeling reisbureaus

4.2

Verhoging BTW-tarief op podiumkunsten, verkoop kunstvoorwerpen, verzamelobjecten en antiquiteiten

5.

Diversen

5.1

Verlaagd tarief glastuinbouw

5.2

Grondwaterbelasting

5.3

Verhoging tarief assurantiebelasting

 

1.1. Verlengen tijdelijke willekeurige afschrijving

Om bedrijven die investeren een liquiditeits- en financieringsvoordeel te bieden, is in 2009 in het kader van de kredietcrisis voorgesteld om de fiscale afschrijvingsregels voor nieuwe bedrijfsmiddelen te versoepelen.

In plaats van de gebruikelijke afschrijving over de levensduur van het bedrijfsmiddel (meestal met een minimum van 5 jaren), mag in het jaar van aanschaf al maximaal 50 procent worden afgeschreven ten laste van de belastbare winst en de rest naar keuze in de volgende jaren. Aan die versoepelde afschrijvingen is wel een aantal anti-misbruikmaatregelen verbonden en geldt niet voor alle soorten bedrijfsmiddelen.

Het kabinet heeft besloten deze stimuleringsmaatregel met één jaar te verlengen. Later dit jaar wordt nadere regelgeving over die verlenging bekend gemaakt.

Terug

1.2 Verlaging tarief vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting wordt geheven over de belastbare winst van uw bv. Het tarief was 20 procent voor de winst tot 50.000 euro en voor het meerdere 25,5 procent. In 2009 was de grens van 50.000 euro tijdelijk – alleen voor de jaren 2009 en 2010 – verhoogd tot 200.000 euro. Nu wordt voorgesteld die verhoging definitief te maken. Daarnaast wordt het tarief van 25,5 procent verlaagd tot 25 procent.

Naar aanleiding van de structurele verlaging van het vennootschapsbelastingtarief is (in de Nota van wijziging) de regeling van de geruisloze terugkeer aangepast. Deze regeling houdt grofweg in dat indien een bv wordt geliquideerd en de onderneming van die bv als IB-onderneming wordt voortgezet door de aandeelhouders van die bv, de stakingswinst niet in de vennootschapsbelasting wordt betrokken en de aandeelhouders niet in de inkomstenbelasting worden betrokken voor een eventueel vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang. De ‘terugkeer’ kan daardoor zonder directe afrekening met de fiscus – fiscaal geruisloos dus – plaatsvinden. Daar staat tegenover dat er in de winstsfeer in de inkomstenbelasting een zogenoemde terugkeerreserve wordt gevormd. Het is immers niet de bedoeling dat de belastingclaim verloren gaat. Dit vergt herrekening van een vennootschapsbelastingclaim en ab-claim naar een box 1 inkomstenbelastingclaim.
Nu het MKB-tarief voor de vennootschapsbelasting structureel 20% wordt voor de eerste € 200.000, moet ook daar rekening mee worden gehouden bij de geruisloze terugkeerregeling. Daarom worden ook de voor de geruisloze terugkeer geldende herrekeningsregels (cijfermatig) aangepast.

Terug

1.3 Verlenging ruimere achterwaartse verliezen vennootschapsbelasting

Sinds 2007 mogen bv’s fiscale verliezen over een bepaald kalenderjaar verrekenen met de winst van het voorafgaande kalenderjaar en met de winsten van de negen volgende jaren. In het kader van de kredietcrisis mag uw bv verzoeken die periode van verliesverrekening aan te passen: de termijn van één jaar voor de verrekening met eerdere winsten, wordt dan opgerekt naar drie jaren. Op voorwaarde dat de verrekeningstermijn van negen jaren, vrijwillig wordt ingekort naar zes jaren. Het verzoek moet worden verwerkt in de aangifte over het verliesjaar.

Deze maatregel, die alleen bedoeld was voor de jaren 2009 en 2010, wordt verlengd met één jaar. Zodat de keuzemogelijkheid ook gaat gelden voor het belastingjaar 2011. De keuzemogelijkheid geldt voor maximaal 10 miljoen euro verlies per jaar. Dit blijft ongewijzigd.

Terug

1.4. Heffingstijdvak buitenlandse belastingplichtigen vennootschapsbelasting

Een gebroken boekjaar is een boekjaar dat niet gelijk loopt met het kalenderjaar. Dat komt regelmatig voor bij rechtspersonen als een bv, maar nog veel vaker bij buitenlandse rechtspersonen als Limiteds.

In de huidige regeling sluit de heffing van de vennootschapsbelasting aan bij dat gebroken boekjaar. Althans als het gaat om een binnenlandse belastingplichtige rechtspersoon, een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd. Bij buitenlandse belastingplichtige rechtspersonen, zeg maar de Limiteds met een hoofdkantoor buiten Nederland en een onderneming in Nederland, geldt namelijk iets anders. Dan wordt de winst van het gebroken boekjaar toegerekend aan het kalenderjaar waarin de laatste dag van het boekjaar valt.

Die toerekening bij buitenlandse belastingplichtige rechtspersonen werkt complicerend voor de wetgever en de Belastingdienst. Om dat uit te bannen, wordt voorgesteld dat die toerekening van het gebroken boekjaar aan het kalenderjaar, komt te vervallen. Buitenlandse ondernemingen zullen dan op dezelfde wijze in de heffing van de vennootschapsbelasting worden betrokken als binnenlandse ondernemingen.

In verband met aanpassingen in de administratie van de Belastingdienst, gaat deze wijziging pas gelden voor gebroken boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012.

Terug

1.5a Reparatie constructies winstvennootschappen

Als u een lege bv koopt die in eerdere jaren (forse) winsten maakte en u vervolgens in die bv verliesgevende activiteiten start, dan is het de bedoeling van de wetgever dat u die verliezen niet mag verrekenen met de eerdere winsten. Anders zou die verliesverrekening tot een directe, niet door de wetgever gewenste belastingteruggave leiden.

De wettekst die het bovenstaande moet regelen, is niet helemaal sluitend, want het werkt niet bij verliesverrekening binnen het jaar van aankoop. Stel dat u de bv op 1 juli 2010 heeft gekocht. Verliezen die de bv na die datum heeft geleden, mogen nu nog worden verrekend met de winsten die in de periode 1 januari tot en met 30 juni 2010 zijn behaald.

In de praktijk leidt de bv dat verlies door het kopen van bedrijfsmiddelen met een lange levensduur, die op grond van speciale regels in één jaar mogen worden afgeschreven. Bijvoorbeeld windmolens en groenlabel-kassen van tuinders. De verliezen worden dan verrekend met de winst die door de gekochte bv is behaald met een bedrijfsbeëindiging (opbrengst goodwill en stille reserves) of het vrijvallen van een herinvesteringsreserve in het eerste halfjaar.

De regering stelt voor om dit in haar ogen oneigenlijke gebruik, met ingang van 2011 onmogelijk te maken.

Zie voor de voorgestelde maatregelen 1.5c hierna.

Let op: de regering is van mening dat niet altijd sprake is van oneigenlijk gebruik. Wat een reëel geval is, stond al in de wet. Hierin is geen verandering aangebracht.

Terug

1.5b Reparatie constructies verliesvennootschappen

Verder worden maatregelen voorgesteld voor de omgekeerde situatie (ten opzichte van 1.5): een (fors) verlies in het deel van het jaar dat voorafgaat aan de aandelenoverdracht en vervolgens na de aandelenoverdracht een (aanzienlijke) winst. Een dergelijke situatie leidt er onder de huidige regeling toe dat er geen vennootschapsbelasting hoeft te worden betaald over die latere winsten, voor zover die qua bedrag het voorbedoelde verlies niet overschrijden.

In beide gevallen wordt het jaar van aandelenoverdracht – alleen voor de verliesverrekening! – beschouwd als twee boekjaren, lopend van 1 januari tot de datum van overdracht respectievelijk van de datum van overdracht tot en met 31 december. Is in een van die kunstmatige boekjaren een verlies geleden, dan mag dat niet over de datum van aandelenoverdracht heen worden verrekend.

Let op: de regering is van mening dat niet altijd sprake is van oneigenlijk gebruik. Wat een reëel geval is, stond al in de wet. Hierin is geen verandering aangebracht. Dat geldt zowel voor winstvennootschappen als verliesvennootschappen.

Terug

 

1.5c Wijze van reparatie constructies winst- en verliesvennootschappen

Om de bij 1.5a en 1.5b beschreven constructies tegen te gaan wordt voorgesteld om een verlies over een deel van het boekjaar waarin de belangwijziging plaatsvindt rechtstreeks toe te rekenen aan het voorafgaande dan wel volgende boekjaar. Als er geen voorafgaand boekjaar is, wordt het verlies niet in aanmerking genomen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de belangwijziging plaatsvindt in het jaar waarin de vennootschap is opgericht. Hetzelfde geldt in de (omgekeerde) situatie als spoedig na de belangwijziging de belastingplicht eindigt en er daardoor geen volgend boekjaar meer volgt.

 

Het voorgaande kan aan de hand van de door de staatssecretaris gegeven voorbeelden als volgt worden toegelicht.

 

Stel de winst na giftenaftrek van het jaar van belangwijziging (jaar t) bestaat uit de volgende

gedeelten vóór respectievelijk na die wijziging:

a.       +50 en +40

o        de belastbare winst jaar t is 90;

o        eerdere verliezen kunnen worden verrekend met 50 hiervan, terwijl latere verliezen kunnen worden verrekend met 40.

b.       +50 en -40:

o        het negatieve bedrag van 40 wordt toegerekend aan het volgende jaar (jaar t+1) en verlaagt de belastbare winst van dat jaar;

o        de belastbare winst jaar t is 50, eerdere verliezen kunnen met deze 50 worden verrekend.

c.       -40 en +50:

o        het negatieve bedrag van 40 wordt toegerekend aan het vorige jaar (jaar t-1) en verlaagt de belastbare winst van dat jaar;

o        de belastbare winst jaar t is 50, latere verliezen kunnen met deze 50 worden verrekend.

d.       -40 en -50:

o        het negatieve bedrag van 40 wordt toegerekend aan het vorige jaar (jaar t-1) en verlaagt de belastbare winst van dat jaar;

o        het negatieve bedrag van 50 wordt toegerekend aan het volgende jaar (jaar t+1) en verlaagt de belastbare winst van dat jaar;

o        de belastbare winst jaar t is nihil.

e.       -40 en +50, er is geen voorafgaand jaar:

o        het negatieve bedrag van 40 wordt niet in aanmerking genomen omdat er geen voorafgaand jaar is;

o        de belastbare winst jaar t is 50, latere verliezen kunnen met deze 50 worden verrekend.

f.         +50 en -40, er is geen volgend jaar:

o        het negatieve bedrag van 40 wordt niet in aanmerking genomen omdat er geen volgend jaar is;

o        de belastbare winst jaar t is 50, eerdere verliezen kunnen met deze 50 worden verrekend.

g.       +50 en -50:

o        het negatieve bedrag van 50 wordt toegerekend aan het volgende jaar (jaar t+1) en verlaagt de belastbare winst van dat jaar;

o        de belastbare winst jaar t is 50, eerdere verliezen kunnen met deze 50 worden verrekend.

In eerste instantie werd voorgesteld om de constructies tegen te gaan door het jaar van aandelenoverdracht – alleen voor de verliesverrekening! – te beschouwen als twee boekjaren, lopend van 1 januari tot de datum van overdracht respectievelijk van de datum van overdracht tot en met 31 december. Zou dan in een van die kunstmatige boekjaren een verlies geleden worden, dan mocht dat niet over de datum van aandelenoverdracht heen worden verrekend. In verband met te verwachten uitvoeringsproblemen is uiteindelijk niet voor die oplossing gekozen.

Terug

 

1.6 Modernisering dividendnota

Wanneer uw vennootschap dividend uitkeert, is zij in beginsel verplicht om hierop 15 procent dividendbelasting in te houden en af te dragen aan de belastingdienst. Deze dividendbelasting is een voorheffing op de eventueel verschuldigde inkomsten- of vennootschapsbelasting over deze dividenden. Daarnaast moet uw vennootschap een gedagtekende dividendnota aan u uitreiken. Wanneer de vennootschap zich hier niet aan houdt, kan de fiscus sinds 1 januari 2010 een boete opleggen die op kan lopen tot maximaal 4.920 euro. De dividendnota’s moeten opvolgend genummerd en voorzien zijn van diverse andere gegevens. De dividendnota’s dient u vervolgens minimaal vijf jaar te bewaren. U kunt uw contactpersoon bij de GIBO Groep vragen om een voorbeeld-dividendnota.

In een besluit van 15 maart 2010 heeft de staatssecretaris al enkele aanvullende regelingen bij deze verplichting vastgesteld, die in de het Belastingpakket als aanvulling in de wet opgenomen worden. Deze aanvullingen zijn:

Een dividendnota mag ook elektronisch worden uitgereikt, dus via e-mail of een internetpagina

Voor sommige groepen van rechthebbenden is het uitreiken van een dividendnota niet meer nodig (het mag uiteraard nog wel).

In de volgende gevallen kan de uitreiking van een dividendnota daardoor achterwege blijven:

  • als de inhouding van dividendbelasting achterwege blijft op grond van onder andere de deelnemingsvrijstelling of omdat er sprake is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting

  • als de inhouding van dividendbelasting achterwege blijft op grond van een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Op grond van de gesloten verdragen wordt de in te houden dividendbelasting veelal (niet altijd) teruggebracht tot nihil waardoor de uitreiking van een dividendnota niet nodig is

  • wanneer dividend wordt uitgekeerd aan een aanmerkelijk belanghouder in de zin van de Wet IB 2001. Dit geldt zowel voor in Nederland als in het buitenland woonachtige aanmerkelijk belanghouders.

Op grond van deze aanpassingen zal de verplichting om een dividendnota uit te reiken in veel situaties binnen het MKB niet meer noodzakelijk zijn. Uiteraard is het wel van belang dat u goed laat bekijken of in uw situatie een vrijstelling aan de orde is.

Terug

2.1 Stimulering speur- en ontwikkelingswerk

Als u als werkgever één of meer werknemers tijd laat besteden aan speur- en ontwikkelingswerk (S&O-werk), kunt u daarvoor een ‘subsidie’ krijgen: de loonbelasting die wordt ingehouden over het loon van die uren van uw medewerkers, hoeft u als werkgever niet helemaal af te dragen. U krijgt dus een afdrachtkorting.

Die korting was in het kader van de kredietcrisis in 2009 en 2010 tijdelijk verhoogd. Hierdoor is in 2010 de korting 50 procent voor het deel van de S&O-lonen dat niet meer is dan 220.000 euro en voor het meerdere 18 procent. Die tijdelijke verhoging komt te vervallen, maar desondanks wordt de regeling gunstiger dan vóór die tijdelijke verhoging (2008).

In 2011 wordt de korting 46 procent voor het deel van de S&O-lonen tot 220.000 euro en voor het meerdere 16 procent. Met ingang van 2012 wordt de korting 45 procent voor de S&O-lonen tot 150.000 euro en voor het meerdere 14 procent.

De maximale afdrachtkorting per werkgever wordt verlaagd van 14 miljoen naar 11 miljoen euro in 2011 en verder verlaagd tot 8,5 miljoen euro in 2012. Deze verlaging houdt verband met het feit dat de regering het speur- en ontwikkelingswerk door met name het midden- en kleinbedrijf wil stimuleren.

Zelfstandige ondernemers, die werken als eenmanszaak, maatschap of vennootschap onder firma, die voldoen aan het urencriterium (globaal: meer dan 1.225 uur per jaar in de onderneming werken) en die op jaarbasis meer dan 500 uur aan speur- en ontwikkelingswerk besteden, hebben recht op een extra aftrekpost. Die leidt tot een verlaging van de belastbare winst en bedraagt in 2010 12.031 euro. Dat bedrag blijft in 2011 hetzelfde.

Terug

2.2 Verruiming innovatiebox

Als de activiteiten van uw bv leiden tot de voortbrenging van een immaterieel activum waarvoor een octrooi wordt verleend, dan kan uw bv er voor kiezen om de winsten (opbrengsten minus voortbrengingskosten) uit dat octrooi te laten belasten tegen slechts 5 procent vennootschapsbelasting in plaats van tegen het normale tarief van thans 20 procent en 25,5 procent.

De wettelijke regeling is nu zodanig geformuleerd, dat het speciale belastingtarief alleen geldt met ingang van het jaar dat het octrooi is verleend. Het is echter zo dat het octrooi niet altijd wordt verleend in het jaar van aanvragen, maar in een later jaar. De winsten uit het octrooi tussen het aanvragen en verleend worden van het octrooi, vallen dus nog onder het normale tarief van de vennootschapsbelasting.

Aangezien de ondernemer de termijn van de aanvraagprocedure van het octrooi niet kan beïnvloeden, kan dat ongunstiger uitwerken dan de regering heeft bedoeld. Daarom stelt zij voor om het speciale tarief ook al toegankelijk te maken met ingang van het jaar waarin het octrooi wordt aangevraagd.

Terug

3.1 Versoepeling werkkostenregeling

Op 1 januari 2011 treedt de werkkostenregeling in werking. Werkgevers mogen dan op jaarbasis maximaal 1,4% van de totale fiscale loonsom voor onbelaste vergoedingen en verstrekkingen gebruiken. Deze regeling wordt verruimd. Voor vakliteratuur en inschrijvingskosten in een beroepsregister komt een gerichte vrijstelling en voor (werk)kleding met een logo van minimaal 70 cm² gaat alsnog een nihilwaardering gelden.

Terug

3.2 Loon in, loon over

De beoogde invoering van de eenduidige loonaangifte gaat niet per 1 januari 2011 in. Daarom verlengt het kabinet de overgangsregeling met betrekking tot ‘loon over’ met een jaar. De overgangsregeling houdt in dat de inhoudingsplichtige binnen het kalenderjaar loonbetalingen mag toerekenen aan de betreffende verstreken loontijdvakken.

Terug

3.3 Vrijstelling premie arbeidsinschakeling en vergoeding vrijwilligerswerk

Voor IOAW- of IOAZ-gerechtigden wordt een mogelijkheid gecreëerd om de ontvangen arbeidsinschakelingspremie of vrijwilligersvergoeding – onder voorwaarden – niet tot het loon te rekenen. Hiermee wordt de fiscale behandeling gelijkgeschakeld met de arbeidsinschakelingspremie of een vergoeding voor vrijwilligerswerk die op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) mogen worden verstrekt.

Terug

3.4 Jaarloonuitvraag

De tijdelijke regeling uitvraag jaarloongegevens wordt met drie jaar verlengd tot 2015. Deze tijdelijke maatregel biedt de inspecteur de mogelijkheid om jaarloongegevens bij de werkgever (inhoudingsplichtige) op te vragen. Het gaat dan om gevallen waarin de tijdvakgegevens van een werkgever ontbreken of onjuist, onvolledig of onbruikbaar zijn.

Terug

3. Premiepensioeninstelling

Een zogenoemde premiepensioeninstelling kan voor de loonbelasting optreden als een toegelaten pensioenaanbieder.

Terug

4.1 Btw-regeling reisbureaus

Het ministerie van Financiën heeft al in 1971 een besluit uitgevaardigd dat de heffing van omzetbelasting (btw) bij reisbureaus regelt. In grote lijnen brengt het besluit met zich mee dat alleen btw wordt geheven over het deel van een reis dat in Nederland plaatsvindt. Verder werd goedgekeurd dat het hoge tarief (19 procent) niet hoefde te worden berekend over reisonderdelen, waarop het 0%- of 6%-tarief van toepassing zou zijn als die reisonderdelen los zouden worden verkocht.

De Europese Commissie dreigde de Nederlandse staat met een procedure vanwege het feit dat het besluit in strijd is met de Europese btw-richtlijn. Om die procedure te vermijden, heeft de regering voorgesteld om het besluit met ingang van 1 april 2012 in te trekken en een nieuwe, wettelijke regeling te laten gelden. Met als hoofdlijnen:

Reisbureaus worden btw verschuldigd over de winstmarge in het land van vestiging van dat reisbureau.

Btw op excursies in bijvoorbeeld Spanje, die aan het Nederlandse reisbureau in rekening is gebracht bij de inkoop van die excursiedienst, mag door het reisbureau niet worden teruggevorderd. Hierdoor hoeft het reisbureau zich niet in Spanje (of een ander Europees land) als btw-ondernemer te laten registreren.

Buitenlandse reisbureaus kunnen geen aan hen gefactureerde Nederlandse btw meer terugvragen in Nederland, terwijl zij geen Nederlandse btw afdragen over de reisdienst hier te lande.

Terug

4.2 Verhoging BTW-tarief op podiumkunsten, verkoop kunstvoorwerpen, verzamelobjecten en antiquiteiten

Het nieuwe kabinet wil het btw-tarief op podiumkunsten en de verkoop van kunstvoorwerpen, verzamelobjecten en antiquiteiten verhogen van 6% naar 19%.

Onder podiumkunsten vallen de volgende diensten: het verlenen van toegang tot muziek- en toneeluitvoeringen (bijvoorbeeld opera’s, operettes, dansen, musicals en lezingen) en het optreden door uitvoerende kunstenaars. Voor de tariefverhoging op podiumkunsten wordt wel een overgangsregeling voorgesteld. Deze overgangsregeling zorgt ervoor dat voor alle in 2010 verkochte kaartjes van voorstellingen die in 2011 plaatsvinden het huidige verlaagde btw-tarief van toepassing.

Terug

5.1 Verlaagd tarief glastuinbouw

In de energiebelasting gelden verlaagde tarieven voor aardgas dat bestemd is voor glastuinbouwondernemingen. Glastuinbouwbedrijven zonder aardgasaansluiting, kunnen gebruik maken van een verlaagd accijnstarief voor minerale oliën. Deze verlaagde tarieven zijn een vorm van staatssteun en de Europese Commissie moet daar goedkeuring voor geven. De lopende goedkeuring eindigt op 31 december 2010. Zonder nieuwe goedkeuring moet de overheid de regeling met ingang van 1 januari 2011 intrekken. In het Belastingpakket is rekening gehouden met deze intrekking. Mocht de EC alsnog voor 1 januari 2011 een verlenging goedkeuren, dan blijven de verlaagde tarieven gelden.

Terug

5.2 Grondwaterbelasting

Over het onttrekken van grondwater kan grondwaterbelasting verschuldigd zijn. Grondwaterbelasting is op basis van de huidige wet verschuldigd door de houder van de inrichting. Op basis van rechtspraak is de houder van de inrichting degene die ten tijde van de onttrekking de feitelijke macht heeft over de onttrekkingsinrichting. Het is niet altijd duidelijk wie deze grondwaterbelasting moet betalen. Vandaar dat dit begrip nu nader wordt gedefinieerd. In principe is de belastingplichtige de persoon aan wie de bevoegde instantie de vergunning voor het onttrekken van grondwater heeft verstrekt of de persoon die een formele melding maakt van de onttrekking. Maar wanneer er voor een locatie geen vergunning of melding is voorgeschreven of wanneer iemand verzuimt daaraan te voldoen, dan is de degene die baat heeft bij de grondwateronttrekking belastingplichtig.

Bij bronbemaling bij een bouwproject is het de opdrachtgever aan wie in beginsel de kosten van de onttrekking zullen worden doorberekend, inclusief belastingen en heffingen. In de regel zal dat degene zijn op wiens naam de bouwvergunning is afgegeven. Het gaat hierbij dus om de opdrachtgever van het bouwproject ten tijde van de onttrekking, niet om eventuele toekomstige eigenaren of gebruikers van het gebouwde object.

Terug

5.3 Verhoging tarief assurantiebelasting

Het tarief voor de assurantiebelasting wordt per 1 januari 2011 verhoogd met 2%-punt tot 9,5%. Deze belasting wordt geheven ter zake van verzekeringen. Daarbij geldt een uitzondering voor een aantal verzekeringen, waaronder onder meer levensverzekeringen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

De verhoging geldt voor premies met een premievervaldatum na 31 december 2010. Premies die vooruitbetaald worden voor verzekeringen die in 2011 doorlopen, hoeven niet herrekend te worden met het nieuwe tarief van de assurantiebelasting als deze premies in 2010 vervallen.

Terug

                                                                                               

Vestigingen

Alkmaar Amsterdam Harlingen Groningen Assen Sneek Joure Wolvega Drachten Stadskanaal Emmen Hardenberg Ootmarsum Oldenzaal Almelo Dalfsen Zwolle Raalte Deventer Lochem Winterswijk Emmeloord Urk Dronten Ulft Doetinchem Zevenaar Arnhem Elst Nijmegen Spakenburg Ede Maastricht Brunssum Zeist Houten Geldermalsen Den Bosch Uden Helmond Eindhoven Valkenswaard Diessen/Hilvarenbeek Amersfoort Roermond Etten-Leur Katwijk Den Haag Zeewolde Harderwijk Zwaagdijk-Oost Schagen Heerhugowaard IJmond Haarlem Hoofddorp Aalsmeer Mijdrecht Lisse Roelofarendsveen Alphen aan den Rijn Woerden Ridderkerk Naaldwijk Bleiswijk Zoetermeer Venlo Bergen (L) Deurne Almere Boskoop Haaksbergen Groenlo Lichtenvoorde

ad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kies uw vestiging

GIBO Groep Accountants en Adviseurs
Als je bedrijf je leven is

Hoofdkantoor:
GIBO Groep Arnhem
Meander 261, 6825 MC
Telefoon (026) 354 26 00

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief

Heeft u vragen?
Neem contact met ons op.
Vraag hier brochures/folders over onze dienstverlening aan.
Contact met één van onze 60 vestigingen.