De staatssecretarissen Bleker en Atsma hebben onlangs de plannen voor het toekomstig mestbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze plannen moeten de druk op de mestmarkt laten afnemen, waardoor vanaf 2015 geen dierproductierechten meer nodig zijn.
Als de wetgeving niet verandert, vervallen de stelsels betreft dierrechten (varkens en pluimvee) en melkquota per 2015. Deze stelsels zorgen er echter niet voor, dat voor de te produceren mest vooraf afzet is geregeld. Dit is volgens het huidige kabinet een belangrijk punt. Hieronder de hoofdlijnen van de plannen.
Drie sporen
Het toekomstig mestbeleid bestaat uit drie sporen:
• De mestafzet moet vooraf geregeld worden. Veehouders die meer mest produceren dan dat zij zelf aan plaatsingsruimte hebben, worden verplicht om een deel van het mestoverschot te laten verwerken. Voor de rest van het overschot moet vooraf een mestafzetgarantie worden geregeld. Hierbij maakt het niet meer uit welke diersoorten er worden gehouden.
• Het voerspoor. Dit wordt verplicht voor de varkenshouderij en is in eerste instantie vrijwillig voor de melkveesector.
• Kunstmestvervangers. Het kabinet gaat zich inzetten om mineralenconcentraten, die op bouwland worden gebruikt, als kunstmest te mogen beschouwen.
Mestafzet regelen
De verplichting van mestverwerking geldt niet voor bedrijven die hun mestoverschot volledig exporteren. Mest waarvoor geen verantwoorde afzet gevonden wordt, mag in de toekomst niet worden geproduceerd.
Mestverwerking
De verplichte hoeveelheid te verwerken mest zal worden uitgedrukt in een percentage van het overschot, waarbij dat percentage per regio en per mestsoort zal verschillen. Bij een toename van het aantal dieren zal het percentage te verwerken mest ook omhoog gaan. Onduidelijk is nu nog of er dan gekeken wordt naar de aantallen op bedrijfsniveau of de landelijke aantallen. Voor de te verwerken mest moet uiterlijk op 31 december van het voorafgaande jaar een contract worden afgesloten. De verplichting voor mestverwerking zal geleidelijk worden ingevoerd, waarmee mogelijk per 1 januari 2013 al een begin wordt gemaakt.
Mestafzetruimte
Voor het resterende deel van het mestoverschot moet ook afzetruimte worden gegarandeerd. Dit kan op landbouwgrond (bijvoorbeeld een contract met een akkerbouwer), via export, bij een mestverwerker of bijvoorbeeld bij een mestvergister. Hiervoor moet uiterlijk 15 mei van het betreffende jaar een contract worden afgesloten.
Het voerspoor
Door de fosfaatefficiëntie van veevoer te vergroten, wordt minder mest geproduceerd. In het nieuwe stelsel hoeft dan minder afzetruimte vastgelegd te worden. Om deze reden steunt de overheid de initiatieven van het zogenaamde ‘voerspoor’. Productschap Diervoeder bereidt op dit moment een verordening voor om de fosfaatefficiëntie in de varkenshouderij te verbeteren. Meedoen aan het voerspoor krijgt hierdoor een verplicht karakter. Voor de melkveehouderij wordt vooralsnog gekozen voor een vrijwillige aanpak. Maar: in 2012 moet daarmee voldoende resultaat zijn bereikt. Wordt het mestproductieplafond toch overschreden, dan neemt de overheid extra maatregelen.
Kunstmestvervangers
De beide staatssecretarissen gaan bij de EU ervoor pleiten om de hoogwaardige mineralenconcentraten - die nu op bouwland worden gebruikt - niet langer als dierlijke mest worden beschouwd. Hierdoor wordt de dierlijke mestmarkt ontlast en gelijkertijd het gebruik van kunstmest verminderd. Het doel is om dit ook te laten gelden voor grasland.