maandag 24 mei 2010
Eén van de ‘speeltjes’ die ondernemers hebben bij de berekening van hun winst is de vorming van een voorziening. Ondernemers mogen namelijk bij het bepalen van hun fiscale jaarwinst rekening houden met dotaties aan voorzieningen. Tot deze voorzieningen behoren ook de zogeheten ‘fiscale reserves’. Hiertoe worden gerekend de egalisatiereserve, de herinvesteringsreserve en de oudedagsreserve.
Het bijzondere aan een dotatie aan een voorziening of fiscale reserve is dat deze in het jaar van dotatie in mindering mag worden gebracht op de winst. Daar staat tegenover dat een latere ‘vrijval’ van deze voorziening de winst weer verhoogt. Maar in de tussentijd behaalt u dus fiscaal voordeel, bestaande uit uitstel van belasting en de mogelijkheid van latere vrijval; tegen een laag tarief.
Bij de vorming van een voorziening dient u in beginsel een vaste gedragslijn te volgen. Als u volgens een vast patroon gebruik maakt van een voorziening (denk bijvoorbeeld aan een garantievoorziening of een voorziening voor niet-betalende debiteuren) dan dient u daarvan ook gebruik te maken in de magere jaren. Maar niets belet u als ondernemer uw gedrag (fiscaal geïndiceerd) aan te passen (mits er geen sprake is van willekeur en louter fiscale motieven). Want als u stopt met het verlenen van garantie dan valt ook uw voorziening daarvoor verplicht vrij en in een mager jaar kan dat wel eens erg gunstig uitpakken!
Ook het opnieuw bekijken van het betalingsgedrag van uw debiteuren (of het anders inrichten van uw bedrijfsvoering, zodanig dat u geen debiteurenrisico meer loopt, bijvoorbeeld door alle vorderingen via een factoormaatschappij te innen) heeft mogelijk fiscale gevolgen. Mocht u over enkele jaren weer in gunstiger omstandigheden terecht komen, dan belet niets of niemand u om uw beleid opnieuw aan te passen! Van de fiscale reserves kan gezegd worden dat u daarmee vrijheid heeft en in beginsel van jaar tot jaar bepaalt of u daar gebruik van maakt.