Alles over de auto van de zaak
Alles over de auto van de zaak
Hoofdregel
Verlaagd bijtelpercentage (zeer) zuinige auto's
Geen auto van de zaak?
Geen vol jaar een auto van de zaak?
Een andere auto?
Meer dan één auto tegelijk?
Aard inrichting auto van belang
De basis voor de bijtelling
Bestelauto's en BPM
Handreiking Bijtelling privégebruik auto voor autobranche
Werkgevers en werknemers – tegemoetkomingen
Vrije bewijsleer
Eigen bijdrage
Eigen bijdrage bij lease: belangrijke rechtspraak
Vergoeding voor parkeergelegenheid
De ondernemer (algemeen)
De ondernemer met een aantal bedrijfsauto's
Gebruik auto voor andere doelen
Normale eisen aan de rittenadministratie
Reiskostenvergoeding door de werkgever
update 9 juni 2011
Bij werknemers, waaronder de directeur grootaandeelhouder (dga), wordt de bijtelling sinds 1 januari 2006 in de loonheffingen verwerkt als loon in natura. Bent u ondernemer en heeft u uw auto op uw eigen zaak staan, dan kunt u te maken krijgen met de bijtelling voor de inkomstenbelasting. Sinds 1 januari 2009 rekent de fiscus met drie bijtelpercentages ongeacht of de auto is ingericht als personenauto of als bestelauto. Het basis bijtelpercentage bedraagt 25%. Voor zuinige auto's geldt een verlaagd percentage van 20% en voor zeer zuinige auto's geldt een nog lager percentage van 14%. Om een brede marktintroductie van nulemissieauto’s (vooral de volelektrische auto’s) te bewerkstelligen, is de daarvoor geldende bijtelling van 14% tijdelijk verlaagd naar 0% voor de jaren 2010-2014.
Uit de op 1 juni 2011 gepubliceerde Autobrief blijkt onder meer dat de Staatssecretaris van Financiën de vrijstelling voor nulemissieauto’s wil verlengen tot 31 december 2015 en de vrijstelling wil uitbreiden tot auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km. [Noot]
De Belastingdienst mag alleen bijtelling berekenen als de auto naar aard en inrichting (mede) geschikt is voor privégebruik. Bent u werknemer en beschikt u over een auto van de zaak die u ook voor privé-doeleinden kunt gebruiken? Dan moet uw werkgever tenminste 25% (of 0% (tijdelijk voor nul-emissie-auto’s), 14% (zeer zuinige auto’s) of 20% (zuinige auto’s)) van de cataloguswaarde van de auto bij uw salaris optellen. Krijgt u uw salaris maandelijks uitbetaald, dan moet uw werkgever iedere maand over 1/12 deel van deze bijtelling loonbelasting/premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekeringswet inhouden en afdragen. Er hoeven geen premies werknemersverzekeringen over de bijtelling te worden betaald.
Dat is de hoofdregel. Dit geldt overigens ook als een werknemer een auto in eigen bezit heeft en de werkgever alle kosten hiervan vergoedt. Ook dan geldt de bijtelling.
Om bijtelling te voorkomen, moet u bewijzen dat u niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden. Daarvoor kunt u het GIBO-rittenregistratieboekje gebruiken en/of het rekenmodel dat de GIBO Groep daarvoor heeft ontwikkeld. De Belastingdienst kan van u verlangen dat u extra bewijsmateriaal levert, zoals uw afsprakenagenda of garagenota's.
Nauwelijks invloed van werkkostenregeling
Vanaf 1 januari 2011 mag en vanaf 1 januari 2014 moet de werkkostenregeling worden toegepast. Voor de regels rondom de auto van de zaak verandert er daardoor echter feitelijk niets, afgezien van een mogelijke onbelaste vergoeding voor parkeerruimte bij de woning van de werknemer. Wij verwijzen u daarvoor naar hetgeen daarover is opgemerkt onder het kopje Vergoeding voor parkeergelegenheid
De regels rondom de reiskostenvergoeding zijn wel verschillend. Wij verwijzen u voor een uitvoerige uiteenzetting naar hetgeen over de werkkostenregeling is vermeld op onze website.
Sinds 1 januari 2008 gold er al een laag bijtelpercentage van 14% voor auto's met een CO2-uitstoot van maximaal 95 gram per kilometer (diesel) of 110 gram per kilometer (andere brandstoffen). De auto’s die op dit moment aan die eisen voldoen zijn:
Diesel
- Alfa Romeo MiTo 1.3 JTDm Eco, handgeschakeld (95 gr/km)
- Citroen C3 1.6 e-HDi 92pk, handgeschakeld (93-95gr/km)
- Citroen DS3 1.6 e-HDi 92pk 95g So Chic, handgeschakeld (95 gr/km)
- Fiat Grande Punto 1.3 Multijet 16v 85, handgeschakeld (95 gr/km)
- Fiat Punto Evo 1.3 Multijet 16v 85, handgeschakeld (95 gr/km)
- Ford Fiesta 1.6 TDCi Econetic, handgeschakeld (95gr/km)
- Opel Corsa 1.3 CDTI ecoFLEX, handgeschakeld (94-95 gr/km)
- Renault Clio 1.5 dCi 85, handgeschakeld (94 gr/km)
- Renault Twingo 1.5 dCi, handgeschakeld (94gr/km)
- Seat Ibiza 1.2 TDI Ecomotive, handgeschakeld (89 gr/km)
- Skoda Fabia 1.2 TDI Greenline, Skoda Fabia Combi 1.2 TDI Greenline handgeschakeld (89 gr/km)
- Smart Fortwo coupé en cabrio CDI, handgeschakeld en semi-automaat (86-87 gr/km)
- Volkswagen Polo 1.2 TDI BlueMotion, handgeschakeld (87-89 gr/km)
Overig
- Chevrolet Spark 1.0 LS BiFuel (110 gr/km)
- Citroen C1 1.0i, handgeschakeld en semi-automaat (103-106 gr/km)-
- Daihatsu Cuore 1.0 Premium, handgeschakeld (104 gr/km)
- Fiat 500 1.2 Start&Stop, semi-automaat (110 gr/km)
- Fiat 500 Twin Air 85, handgeschakeld en semi-automaat (92-95 gr/km)
- Fiat 500C 1.2 Start&Stop, semi-automaat (110 gr/km)
- Fiat 500C Twin Air 85, handgeschakeld en semi-automaat (92-95 gr/km)
- Fiat Panda 1.2 69, handgeschakeld (110 gr/km)
- Fiat Panda 1.4 Natural Power, handgeschakeld (107 gr/km)
- Fisker Karma, CVT-automaat (83 gr/km)
- Honda Civic 1.3 Dsi i-VTEC Hybrid, CVT-automaat (109 gr/km)
- Honda Insight 1.3 i-VTEC, CVT-automaat (101-105 gr/km)
- Honda Jazz 1.4 Hybrid, CVT-automaat (104 gr/km)
- Hyundai i10 1.1i, handgeschakeld (110 gr/km)
- Hyundai i10 1.2i, handgeschakeld (108 gr/km)
- Kia Picanto 1.0 CVVT, handgeschakeld (95-99 gr/km)
- Kia Picanto 1.2 CVVT, handgeschakeld (100-105 gr/km)
- Lancia Ypsilon 0.9 TwinAir Gold, handgeschakeld (99 gr/km)
- Lexus CT 200h Hybrid, CVT-automaat (89-94gr/km)
- Mazda 2 1.3 BiFuel Cool en Mazda 2 1.3hp BiFuel GT-M Line , handgeschakeld (110 gr/km)
- Nissan Pixo 1.0, handgeschakeld (103 gr/km)
- Opel Ampera, CVT-automaat (40gr/km)*
- Opel Corsa 1.2 ecoFLEX LPG, handgeschakeld (110 gr/km)
- Peugeot 107 1.0, handgeschakeld en semi-automaat (103-106 gr/km)
- Renault Twingo 1.2 16V CO2, handgeschakeld (109 gr/km)
- Smart Fortwo coupé en cabrio Micro Hybrid Drive, handgeschakeld en semi-automaat (97-100 gr/km)
- Suzuki Alto 1.0, handgeschakeld (103 gr/km)
- Toyota Auris 1.8 Full Hybrid, CVT-automaat (89-93 gr/km)
- Toyota Aygo 1.0 12v VVT-i, handgeschakeld en semi-automaat (106-107 gr/km)
- Toyota iQ 1.0 VVT-i, handgeschakeld en CVT-automaat (99-110 gr/km)
- Toyota Prius 1.8 HSD, CVT-automaat (89-92 gr/km)
* Als het door de Staatssecretaris in de Autobrief opgevatte plan om voor een vrijstelling tot 31 december 2015 voor alle auto’s met een CO2-uitstoot van 50g/km of minder ook worden doorgevoerd, dan zal die vrijstelling ook gaan gelden voor de Opel Ampera.
Voor autorijders die niet uit de voeten kunnen met een zeer zuinige auto bestaat de mogelijkheid om te kiezen voor een zuinige auto waarvoor een bijtelling geldt van 20%. Altijd nog 5% lager dan de normale bijtelling. Deze bijtelling geldt voor dieselauto’s met een CO2-uitstoot tussen de 96 en 116 gram per kilometer en voor overige auto’s met een CO2-uitstoot tussen de 111 en 140 gram per kilometer. Autofabrikanten produceren steeds meer groenere auto’s. Een goede oriëntatie bij de aanschaf van een auto van de zaak kan lonen.
Op dit moment is wettelijk geregeld dat om de vier jaar zal worden beoordeeld of de gehanteerde normen nog wel voldoen. Dat betekent concreet dat nog tot 1 januari 2013 de huidige voordelen voor de zeer zuinige en zuinige auto blijven bestaan op basis van de categorieën zoals die nu zijn vastgesteld. Dat geldt ook voor de voordelen in de BPM en MRB, waarover later meer.
Inmiddels heeft de staatssecretaris in de al eerder genoemde Autobrief aangegeven hoe de verschillende grenzen er in de jaren t/m 2015 waarschijnlijk uit zullen gaan zien. Daarbij valt op dat de categorieën voor de bijtelling en de BPM vanaf 2012 geleidelijk worden verscherpt en gelijk worden getrokken. Daarnaast zullen de verschillen tussen diesel- en benzine-auto’s per 2015 komen te vervallen, met dien verstande dat er dan in de BPM een specifieke toeslag voor dieselauto’s zal gaan gelden. Zo komen in 2015 alleen nog auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 83 gr/km in aanmerking voor een bijtelling van 14% en een vrijstelling van BPM (afgezien van een eventuele dieseltoeslag).
Voor het toe te passen percentage aan bijtelling valt voorts op dat thans wordt aangesloten bij de zuinigheidsgrenzen zoals deze gelden op het moment dat de auto voor het eerst op kenteken is gesteld, maar dat de staatssecretaris de periode dat men nog een verlaagd bijtellingstarief kan toepassen wil gelijkstellen aan de aan de gebruikelijke leaseperiode, rekenend vanaf het moment dat de auto voor het eerst op kenteken is gesteld.
De MRB-vrijstelling zal nog één jaartje tot 2014 (op basis van de huidige grenzen) worden voortgezet, maar vervolgens komen te vervallen. Voor een korte samenvatting van de Autobrief verwijzen wij u naar het Informatieblad.
Of de bekendgemaakte plannen ook in die vorm doorgang zullen vinden moet nog worden afgewacht. Daarvoor zullen die plannen eerst in een wetsvoorstel moeten worden omgezet, dat vervolgens nog moet worden aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer. De staatssecretaris heeft al te kennen gegeven dat de voorstellen in het op Prinsjesdag bekend te maken Belastingplan 2012 zullen worden opgenomen.
Voor de zeer zuinige en zuinige auto’s gelden nog bijtellingspercentages, maar voor zogenaamde ‘nul-emissieauto’s’ geldt tot en met 2014 zelfs geen enkele bijtelling. Nu ook de reguliere autofabrikanten zich hebben gestort op de markt van de elektrische auto komt een betaalbare variant in zicht. Onlangs is de Nissan Leaf al uitgeroepen tot auto van het jaar 2011. Maar ook merken als Peugeot en Renault zullen binnenkort met volelektrische auto’s komen, zoals de Renault Fluence Z.E. die in 2011 op de markt komt. Zoals hiervóór al is opgemerkt wil de Staatssecretaris van Financiën de vrijstelling voor nulemissieauto’s verlengen tot 31 december 2015 en wil hij de vrijstelling uitbreiden tot auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km.
Het rittenregistratieboekje kan ook van waarde zijn voor mensen die met de eigen auto zakelijke kilometers rijden. Wellicht moeten/kunnen zij een nacalculatie maken; daarbij kan het rittenregistratieboekje goed van pas komen. Verderop gaan wij daar nader op in. Daarbij zullen we ook aandacht schenken aan de gevolgen van de werkkostenregeling die per 1 januari 2011 kan en per 1 januari 2014 moet worden toegepast.
Heeft u maar een deel van het jaar de beschikking over een auto van de zaak, dan moet u het werkelijk gereden aantal privé-kilometers volgens de rittenregistratie tot een jaarbedrag herleiden. Die herleiding zou onder omstandigheden ertoe kunnen leiden, dat u – hoewel u in het jaar niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden – toch een bijtelling voor uw kiezen krijgt.
Voorbeeld 1
U heeft van 1 januari tot en met 30 april een auto van de zaak met een catalogusprijs van € 25.000. U rijdt in die periode 100 kilometer privé met die auto. U heeft dus uiteindelijk maar 4 maanden de beschikking over de auto. Omgerekend naar een heel jaar zou u 12/4 x 100 = 300 kilometer in totaal privé rijden. Omdat u als werknemer op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt, hoeft uw werkgever niets bij te tellen.
Voorbeeld 2
U rijdt in dezelfde periode niet 100 maar 200 kilometer privé met een auto die niet tot de categorieën van (zeer) zuinige auto's behoort. Omgerekend naar een heel jaar zou u 12/4 x 200 = 600 kilometer privé rijden. De bijtelling bedraagt op kalenderjaarbasis 25% van € 24.000 = € 6.000. Stel: u krijgt uw salaris eens per maand, dan bedraagt de bijtelling per maand: 1/12 x € 6.000 = € 500. De totale bijtelling bedraagt: 4 x € 500 = € 2.000.
LET OP: de auto staat u ook ter beschikking als u zonder de auto met vakantie gaat. Dat is zelfs het geval wanneer u de auto op het werk laat staan. De Belastingdienst laat deze regel (mogelijk) alleen niet gelden, wanneer u verplicht bent om de auto tijdens uw vakantie in te leveren bij uw werkgever en deze tijdens uw vakantie vrijelijk kan beschikken over de auto. Mocht u tijdens uw vakantie wel gebruik kunnen maken van een andere auto van uw werkgever, dan moet vanzelfsprekend ook de bijtelling voor die auto worden berekend over de periode waarin u de beschikking had over die auto.
Als u in de loop van het kalenderjaar een andere auto krijgt, moet uw werkgever de bijtelling voor het privégebruik van elke auto naar tijdsgelang berekenen.
Voorbeeld 1
De bijtelling geldt per kalenderjaar. Stel, u heeft een auto van € 24.000 tegen een bijtelling van 25%, dus € 6.000 op jaarbasis. Bij een loontijdvak van een maand wordt de bijtelling naar tijdsgelang per maand 1/12 van € 6.000 = € 500. Stel, u krijgt per 1 november een auto van € 30.000 tegen een bijtelling van 25%, dus € 7.500 op jaarbasis. Bij een loontijdvak van een maand wordt de bijtelling naar tijdsgelang per maand 1/12 van € 7.500 = € 625. De totale bijtelling over het kalenderjaar is dan 10 x € 500 plus 2 x € 625 = € 6.250.
Voorbeeld 2
Stel nu dat u van 1 januari tot en met 31 juli een auto van € 24.000 heeft tegen een bijtelling van 25%, dus € 6.000 op jaarbasis en u niet privé rijdt met deze auto. In dat geval telt de werkgever voor de loontijdvakken van januari tot en met juli niets bij uw loon. Stel nu dat u vervolgens in de periode van 1 augustus tot en met 31 december met een nieuwe auto van uw werkgever (cataloguswaarde € 30.000) 1.000 kilometer privé rijdt. Omdat u nu op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer privé rijdt, moet uw werkgever (alsnog) voor het hele kalenderjaar privégebruik bij het loon tellen.
Over de periode januari tot en met juli moet de werkgever dan bij het loon tellen 7/12 x 25% van € 24.000 = € 3.500. U wordt dan alsnog met een te betalen loonbelasting/premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over de reeds verstreken periode geconfronteerd. Bij een loontijdvak van een maand is de bijtelling € 500 per maand. Voor de reeds verstreken aangiftetermijnen moet de werkgever een correctie insturen. Vanaf 1 augustus moet uw werkgever per maand bij het loon tellen 1/12 x 25% van € 30.000 = € 625.
LET OP: Uit voorbeeld 2 blijkt duidelijk dat het wijzigen van het patroon – vanaf 1 augustus wordt ineens wel privé gereden met de auto van de zaak – nadelige gevolgen kan hebben voor de periode waarin geen privégebruik heeft plaatsgevonden Zie ook verderop onder het kopje Verklaring geen privégebruik.
Als uw werkgever u in een jaar meer dan één auto tegelijkertijd ter beschikking stelt, dan moet hij de bijtelling voor het privégebruik voor elke auto afzonderlijk berekenen. Het totaal is belast als privégebruik auto. Rijdt u op jaarbasis met alle auto's in totaal niet meer dan 500 kilometer privé, dan hoeft uw werkgever niets bij te tellen.
Voorbeeld 1
U heeft het hele jaar een auto van de zaak met een catalogusprijs van € 24.000. U rijdt in het jaar meer dan 500 kilometer privé met deze auto. De bijtelling bedraagt dan bij een loontijdvak van een maand: 1/12 x 25% x € 24.000 = € 500.
Stel nu dat uw werkgever u daarnaast in de periode juni tot en met augustus ook nog een auto met een catalogusprijs van € 30.000 ter beschikking stelt. Met deze auto rijdt u 200 km privé. Dat zou op jaarbasis uitkomen op 12/3 x 200 = 800 kilometer privé. De bijtelling is op jaarbasis 25% van € 30.000 = € 7.500. Per maand is dat dan 1/12 x € 7.500 = € 625. De totale bijtelling bedraagt nu (12 x € 500) + (3 x € 625) = € 7.875.
TIP: Rijdt u met één van beide auto’s wel op jaarbasis meer dan 500 privékilometers, maar kunt u ook aantonen dat u de andere auto niet voor privé gebruikt, dan hoeft uw werkgever alleen voor eerstgenoemde auto bij te tellen. . Let u daarbij wel op dat de bewijslast dat u maximaal 500 km privé hebt gereden met één van de auto’s onverkort geldt.
Alleen als de auto geschikt is voor privégebruik krijgt u te maken met de forfaitaire bijtelling. Heeft de auto twee of meer zitplaatsen, dan zult u overtuigend moeten aantonen dat er geen privé gebruik van wordt of kan worden gemaakt. Wel of geen grijs kenteken is daarbij niet relevant.
De forfaitaire bijtelling geldt niet voor bestel- of serviceauto's met slechts een zitplaats voor de bestuurder, maar geldt ook niet voor vrachtauto's, autobussen of motoren. Wél moet u in die gevallen een eventueel privégebruik op reële basis berekenen. U dient dan dus het aantal privé-kilometers te vermenigvuldigen met de werkelijke kilometerprijs.
|
Ook geen bijtelling voor grote bestelauto mét bijrijdersstoel?
Is een bestelauto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen, dan hoeft er geen forfaitaire bijtelling in aanmerking te worden genomen. In het verleden ging men er eigenlijk standaard van uit dat een bestelauto met bijrijdersstoel niet aan de voorwaarden voldeed en daarover dus wel de forfaitaire bijtelling moest worden toegepast. Uit twee arresten van de Hoge Raad uit 2009 blijkt dat de eis van het ontbreken van de bijrijdersstoel te streng is en dat er ook bij een bestelauto mét bijrijdersstoel sprake kan zijn van een auto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijk te zijn voor vervoer van goederen.
In de eerste zaak ging het om twee bestelauto’s die tot het wagenpark van een vennootschap onder firma behoorden en die de vennoten ook voor privé-doeleinden ter beschikking stonden. In de bestuurderscabine van de bestelauto's was een tweede stoel voor een bijrijder aanwezig. In het goederencompartiment van de bestelauto's waren voor het vervoer van bloemen en planten stellages (vast) bevestigd. Volgens de inspecteur moest rekening worden gehouden met een forfaitaire bijtelling wegens het privé-gebruik van de bestelauto's. Het Hof Den Bosch had al geoordeeld dat de bestelauto's naar aard en inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt waren voor het vervoer van goederen. Daarbij hechtte hij belang aan de inrichting en omvang van de bestelauto's. Het feit dat er een tweede stoel in de bestuurderscabine aanwezig was, bestemd voor de bijrijder of hulp bij het laden en lossen van bloemen en planten, was volgens het hof onvoldoende om aan te nemen dat de auto niet (nagenoeg) uitsluitend geschikt was voor het vervoer van goederen. De Hoge Raad was het daarmee eens.
In de tweede zaak ging het om een stukadoor die achtereenvolgens twee grote bestelauto s voor zijn onderneming had gebruikt. Volgens het hof waren de auto’s ingericht voor zowel goederenvervoer als voor personenvervoer en dus niet ‘door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn geschikt voor vervoer van goederen’. Naast een goed ingerichte en toegankelijke laadruimte geschikt voor goederenvervoer hadden de auto’s een bestuurdersstoel en een anderhalfzitsbank in de bestuurderscabine. De bestuurderscabine was dan wel vervuild, maar uit niets bleek dat de stukadoor in de bestuurderscabine voorzieningen had aangebracht die waren gericht op het vervoer van goederen.
Volgens de Hoge Raad was het oordeel van het hof te kort door de bocht. Met een verwijzing naar zijn eerdere arrest uit 2009 oordeelde de Hoge Raad dat ook al is er een bijrijdersstoel aanwezig en ook al zijn in de bestuurderscabine geen voorzieningen aangebracht, die zijn gericht op het vervoer van goederen, er toch onder omstandigheden sprake kan zijn van een bestelauto die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De Hoge Raad vernietigde daarom de hofuitspraak en verwees de zaak naar Hof Den Bosch voor verdere behandeling.
De beide arresten van de Hoge Raad gaan over de bijtelling voor de ondernemer zelf. Ze kunnen echter ook van belang zijn in de situaties waarin de busjes niet aan de ondernemer, maar zijn werknemers ter beschikking staan.
Inmiddels is gebleken dat de Belastingdienst zich niet zo maar gewonnen geeft. Er loopt al weer een derde cassatiezaak bij de Hoge Raad. In dit geval gaat het om een uitspraak van Hof Arnhem waarbij het ging om een bestelauto die werd gebruikt door een bedrijf dat zich bezighield met het leggen van vloerbedekking. Blijkbaar hecht de Belastingdienst zeer veel waarde aan de feiten en wenst, in ieder geval vooralsnog, geen enkele concessies te willen doen. Natuurlijk zijn niet alle gevallen gelijk, maar niet iedere ongelijkheid mag leiden tot een ongelijke behandeling. Waarom zou een bestelbus die qua omvang en inrichting overeenkomt met bijvoorbeeld de bestelauto’s die werden gebruikt door de planten-/bloemenhandelaar anders moeten worden behandeld. Ons is gebleken dat men zich nu nog echt tot de rechter zal moeten wenden voor een uitkomst. Inmiddels heeft Hof Amsterdam geoordeeld dat een vieze en stoffige bestelauto van een schilder uitsluitend geschikt was voor vervoer van goederen. Ditzelfde geldt volgens Rechtbank Leeuwarden voor een pechhulpauto.
Ons is inmiddels gebleken dat men niet altijd de gang naar de rechter hoeft te maken om zijn gelijk te krijgen.
Als u van uw werkgever een bestelauto van de zaak ter beschikking hebt gekregen en de forfaitaire bijtelling voor deze auto volgens u op grond van bovenstaande achterwege moet blijven, leg dat dan voor aan uw werkgever. Dan kan hij het voorleggen aan zijn adviseur.
|
Voor sommige categorieën personenauto's geldt, tenzij anders blijkt, dat ze voor niet meer dan 500 km voor privé-doeleinden aan werknemers ter beschikking worden gesteld. Het gaat om personenauto's die zijn ingericht en als zodanig aan de buitenkant herkenbaar zijn als politie-, brandweerauto, (dieren-)ambulance of als auto voor het vervoer stoffelijke overschotten, gevangenentransport of voor geldtransport, zolang deze voldoen aan de voorwaarden voor teruggaaf van de BPM. Eén van die voorwaarden is dat de personenauto uitsluitend bedrijfsmatig wordt gebruikt voor het specifieke doel. Mocht dat betekenen dat u deze auto mee naar huis moet nemen, dan valt ook dit woon-werkverkeer daaronder.
De fiscus berekent de bijtelling voor personenauto's en bestelauto's over de cataloguswaarde inclusief BTW en BPM. De cataloguswaarde hangt af van het merk en type auto in het jaar waarin de auto is uitgebracht. De cataloguswaarde kunt u opvragen bij de importeur of fabrikant. Sinds 1 juli 2006 blijven accessoires die niet zijn aangebracht door (of namens) de fabrikant of importeur buiten de BPM heffing. Vanaf deze datum tellen de door een dealer ingebouwde accessoires ook niet meer mee voor de bijtelling van de auto van de zaak.
|
Regeling voor oldtimers
De grondslag voor de bijtelling en onttrekking voor auto’s van de zaak die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen wordt gevormd door de waarde in het economische verkeer. Die waarde kan worden bepaald aan de hand van de kostprijs en restauratiekosten, de verzekerde waarde en/of veilingprijzen.
Tot 1 januari 2010 werden daar de normale forfaitaire bijtellingspercentages op losgelaten. Sinds 1 januari 2010 geldt echter voor alle auto’s van de zaak die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen een ‘basisbijtellingspercentage’ van 35%. Dat percentage van 35% kan dan eventueel nog worden verlaagd met 5% van de waarde van de auto voor zuinige auto’s van de zaak en met 11% van de waarde van de auto voor zeer zuinige auto’s van de zaak. Ook de tijdelijke extra verlaging van de bijtelling en onttrekking voor nulemissieauto’s blijft gewoon van toepassing. Of er überhaupt oldtimers zijn die voor één van de verlagingen in aanmerking komen valt echter te betwijfelen.
|
Vanaf medio 2005 bent u ook BPM verschuldigd bij aankoop van een bestelauto. Voor ondernemers geldt een vrijstelling. Willen ondernemers gebruik kunnen maken van de vrijstelling van BPM moet wel voldaan zijn aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden, die ook golden voor de teruggaafregeling, luiden als volgt:
- Het moet gaan om de aankoop en het houderschap van een bestelauto (niet bijvoorbeeld van een personenauto).
- De aankoop moet zijn verricht door een ondernemer in de zin van de omzetbelasting (BTW).
- De koper moet de bestelauto gebruiken in zijn onderneming, ook als de bestelauto onderdeel is van een handelsvoorraad.
- U moet de bestelauto in uw onderneming meer dan bijkomstig (meer dan 10%) gebruiken.
- De faciliteit geldt per bestelauto gedurende (ten hoogste) vijf jaar vanaf de eerste ingebruikname en alleen gedurende één aaneengesloten periode.
- U bent ondernemer in de zin van de omzetbelasting als u een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder bedrijf wordt ook verstaan een zelfstandig beroep. Daarnaast wordt u voor de omzetbelasting als ondernemer aangemerkt als u zelfstandig een vermogensbestanddeel exploiteert om daaruit duurzaam opbrengsten te verkrijgen.
LET OP: U bent als ondernemer weliswaar vrijgesteld van het betalen van BPM over een bestelauto, maar dat neemt niet weg dat u voor de bijtelling de cataloguswaarde van de bestelauto inclusief BTW maar ook inclusief BPM moet nemen.
Tip: Op bestelauto's die voor 1 juli 2005 op kenteken zijn gezet, is in het geheel geen BPM verschuldigd. De catalogusprijs van die auto's is dan ook zonder BPM. Dit betekent dat de bijtelling wegens privégebruik voor deze bestelauto's nog wel wordt berekend over de catalogusprijs exclusief BPM.
Werknemers in de autobranche maken vaak gebruik van verschillende (demonstratie)auto's, waarvan de catalogusprijs per model uiteen kan lopen. Voor die situaties heeft de Belastingdienst de Handreiking Bijtelling privégebruik auto voor de autobranche gepubliceerd. De handreiking geldt voor alle werkgevers in de autobranche die door wisselend gebruik van auto's de grondslag voor de bijtelling moeilijk kunnen vaststellen. De handreiking geldt dus niet alleen voor autodealers maar bijvoorbeeld ook voor handelaren in tweedehandse auto's, leasemaatschappijen en importeurs. U kunt de handreiking downloaden op de site van de belastingdienst.
Belangrijkste kenmerken handreiking:
- De werkgever moet de bijtelling per dag berekenen.
- De werkgever moet de bijtelling baseren op de auto die de werknemer aan het eind van de werkdag meeneemt. Deze auto blijft als basis gelden voor de bijtelling totdat de werknemer de auto weer mee naar het werk terug neemt.
- Voor die dagen waarop de werknemer geen auto naar huis meeneemt, moet de werkgever de bijtelling baseren op de auto waarop in de afgelopen twee maanden de grondslag het vaakst gebaseerd is.
De Belastingdienst geeft het volgende voorbeeld:
Een werknemer rijdt op maandag na werktijd naar huis met auto A. Op dinsdag rijdt hij met auto A naar het werk en na werktijd met auto B naar huis. Op woensdag laat hij auto B thuis staan. Hij gaat met de fiets naar het werk en na werktijd gaat hij ook weer met de fiets naar huis. Op donderdag rijdt hij met auto B naar het werk en gaat hij lopend naar huis. Op vrijdag gaat hij met de fiets naar het werk en na werktijd gaat hij met auto C naar huis. U baseert de grondslag voor de bijtelling privégebruik op:
- maandag: auto A
- dinsdag: auto B
- woensdag: auto B
- donderdag: vaakst bijgetelde auto afgelopen twee maanden
- vrijdag: auto C
- weekend: auto C
Rekenen met vaste auto
Op de site van de Belastingdienst kunt u een mededeling vinden over de mogelijkheid om toch te rekenen met een vaste auto. Daarbij spreken de werkgever en werknemer een vaste auto af, die de werknemer na werktijd mag meenemen. De werkgever mag dan onder voorwaarden de grondslag voor de bijtelling op die vaste auto baseren. Er gelden dan wel de nodige voorwaarden.
Schriftelijke overeenkomst
De werkgever en werknemer moeten de afspraak over de vaste auto vastleggen in een schriftelijke overeenkomst.
Registratie
Als de werknemer een vaste auto heeft, moet de werkgever dat eenmalig registreren in zijn administratie. Bij wijziging van de vaste auto moet de werkgever dat (natuurlijk) opnieuw registreren. Uit de administratie moet immers blijken op welke vaste auto de grondslag voor de bijtelling is gebaseerd.
Bijtelling bij vervangende auto
Op dagen dat de werknemer de vaste auto niet kan gebruiken en een vervangende auto heeft, kan de werkgever de grondslag voor de bijtelling toch op de vaste auto baseren. Er gelden dan wel vier aanvullende voorwaarden:
- De werknemer kan de vaste auto om zakelijke redenen niet gebruiken. De vaste auto heeft bijvoorbeeld een onderhoudsbeurt of is door een klant meegenomen voor een proefrit.
- De werknemer gebruikt maximaal 15 dagen per kalenderjaar een vervangende auto.
- De werknemer gebruikt een vervangende auto maximaal 5 aaneengesloten dagen.
- De werkgever legt de gegevens van de vervangende auto vast en bewaart deze bij de loonadministratie.
Voldoet de werkgever niet aan de voorwaarden, dan moet hij de grondslag voor de bijtelling baseren op de vervangende auto.
Convenant BOVAG Autodealers
Voor de autodealers die eerst gebruik konden maken van de autodealerregeling leidt de nieuwe handreiking tot extra administratieve lasten. Om die enigszins te beperken hebben de Belastingdienst en de BOVAG een convenant gesloten. Dealers die lid zijn van de BOVAG kunnen gebruik maken van een door BOVAG ontwikkeld registratiesysteem.
Contactadres
Speciaal voor de autobranche geldt het volgende contactadres binnen de Belastingdienst:
Belastingdienst / Oost / Landelijk Coördinatiepunt Auto
Postbus 843
7600 AV Almelo.
Met het opnemen van de auto van de zaak in de loonbelasting is de verantwoordelijkheid voor een juiste verantwoording van de bijtelling bij de werkgever komen te liggen. Dat leidt tot een lastenverzwaring voor de werkgever. Dat heeft ook de wetgever ingezien, vandaar dat die een aantal oplossingen biedt.
Verklaring geen privégebruik
Als een werknemer jaarlijks 500 kilometer of minder privé rijdt met de auto van de zaak, dan kan hij een verklaring geen privégebruik aanvragen bij de Belastingdienst. Het aanvraagformulier kan hij downloaden van de site van de Belastingdienst. Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking, wat inhoudt dat – als de inspecteur negatief beslist op het verzoek – de werknemer hier bezwaar tegen kan maken. Hij kan vervolgens beroep aantekenen bij de rechtbank indien ook op het bezwaar negatief wordt beslist. In dat soort gevallen kan de werknemer om een versnelde behandeling vragen.
Krijgt de werknemer de verklaring, dan kan hij de werkgever voorzien van een kopie. Vervolgens hoeft de werkgever geen bijtelling meer toe te passen en dus ook geen loonheffing in te houden.
Het gevolg is dat een werknemer die in een jaar toch meer dan 500 kilometer privé rijdt met de auto, daar zelf verantwoordelijk voor is. Voldoet de werknemer niet of onvoldoende aan de bewijslast, dan zal hij zelf een naheffingsaanslag loonbelasting (inclusief boete) krijgen. Alleen wanneer de Belastingdienst kan bewijzen dat de werkgever wist dat een verklaring onterecht is afgegeven, kan zij ook bij de werkgever aankloppen. De werkgever hoeft dus niet te onderzoeken of de afgegeven verklaring in overeenstemming is met het werkelijke privégebruik van de werknemer. De werkgever moet slechts zijn eigen wetenschap toetsen: als de werknemer de verklaring overlegt, moet de werkgever zich in alle redelijkheid afvragen of dit klopt met het werkelijke privégebruik. Die toetsing moet continu plaatsvinden, dus niet alleen op het moment waarop de werknemer de kopie van de verklaring overlegt. Als de Belastingdienst kan aantonen dat de werkgever wist dat die verklaring niet juist was, wordt de verschuldigde loonheffing bij hem nageheven, inclusief de daarbij behorende boete.
De verklaring geen privégebruik auto is geen 'vrijkaartje'. De werknemer zal moeten kunnen aantonen dat er inderdaad niet meer dan 500 km privé is gereden met de auto. Het beste bewijs daarvoor is een sluitende kilometeradministratie.
Mocht de verklaring geen privégebruik zijn aangevraagd door een dga en mocht deze naderhand niet of onvoldoende aan zijn bewijslast kunnen voldoen, dan wordt de verschuldigde loonheffing bij de werkgever nageheven inclusief de daarbij behorende boete. Wetenschap bij de dga is immers gezien het feit dat het geen gewone werknemer betreft op een lijn te stellen met wetenschap bij de werkgever. Als de werknemer tijdig doorgeeft aan de werkgever dat de reeds afgegeven verklaring niet (meer) klopt, dan moet de werkgever met ingang van het eerstvolgende tijdvak over de bijtelling loonheffing inhouden en afdragen. Over de reeds verstreken tijdvakken krijgt de werknemer een naheffingsaanslag.
Vanaf 1 juni 2009 moet de werknemer de aanvraag om een verklaring geen privé-gebruik auto zenden aan:
Belastingdienst/Centrale invoer
Postbus 2538
6401 DA Heerlen
Mogelijke boetes liegen er niet om
Verzuimboete
Blijkt dat bijtelling wegens `privégebruik auto' (deels) ten onrechte niet heeft plaatsgevonden, dan legt de inspecteur een verzuimboete op van 80 procent van het wettelijk maximum van € 4.920. In uitzonderlijke gevallen kan die boete zelfs worden verhoogd tot de volle 100% (tot € 4.920 dus). Dat is sowieso het geval wanneer de werknemer een onvolledige rittenregistratie overlegt. Zoals al is opgemerkt zal de naheffingsaanslag (inclusief de bijbehorende boete worden opgelegd bij de werknemer die ten onrechte een verklaring geen privégebruik aan zijn werkgever heeft overgelegd, maar dat is anders wanneer de werkgever wist dat de werknemer de ‘boel aan het flessen was’.
Vergrijpboete
De inspecteur mag in geval van opzet of grove schuld er ook voor kiezen om in plaats van een verzuimboete een vergrijpboete op te leggen. Bij grove schuld kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen van 40% van het bedrag van de naheffing en bij opzet van 80%. Heeft de werknemer een onvolledige rittenregistratie overgelegd, dan kan de inspecteur zelfs een vergrijpboete van 100% van het bedrag van de naheffing opleggen.
Gevolgen intrekking verklaring geen privégebruik
In het belastingformulier voor de wijziging of intrekking moet de werknemer ook het jaar invullen vanaf wanneer hij meer dan 500 km privé gebruik maakt van de auto van de zaak. Ook wanneer er in een jaar aanvankelijk op jaarbasis maximaal 500 km privé wordt gereden, maar om welke reden dan ook pas later in het jaar niet meer aan die eis wordt voldaan, heeft dat gevolgen voor het gehele jaar. Zo had een werknemer voor het hele jaar 2006 een auto van de zaak. In het begin van het jaar maakte de werknemer geen privé gebruik van die auto en dus overlegde hij een 'verklaring geen privégebruik' aan zijn werkgever. Die verklaring trok hij echter weer in per 1 maart, omdat hij zijn privé-auto had verkocht en vanaf dat moment wel meer privé gebruik zou gaan maken van de auto van de zaak. Volgens de Hoge Raad had de Belastingdienst terecht een naheffingsaanslag voor de loonbelasting over de maanden januari en februari 2006 opgelegd. De werknemer had de auto van de zaak immers in het kalenderjaar 2006 voor meer dan 500 kilometer privé gebruikt.
In het geval waarin de Hoge Raad moest beslissen ging het over een naheffingsaanslag over de eerste twee maanden van het jaar. Het kan echter nog veel erger. Het is zelfs mogelijk dat een werknemer gedurende de eerste elf maanden voldoet aan de 500 km-eis en pas in december zoveel privé rijdt dat hij over het gehele jaar bezien wel boven de 500 km aan privégebruik uitkomt. Ook in dat geval kan de werknemer een naheffingsaanslag loonbelasting verwachten over de eerste elf maanden van het jaar. Dat zijn dus dure ritjes in die laatste maand van het jaar. Hij zou zich een hoop kunnen besparen wanneer hij voor de ritjes een andere auto zou lenen of (zelfs) huren.
TIP: Rijdt u in een auto van de zaak meer dan 500 privé-kilometers, maar heeft u wel een verklaring 'geen privégebruik'? Trek deze dan zo spoedig mogelijk in. Er vindt dan nog steeds naheffing plaats, maar het kan u wel een hoge boete besparen. U kunt hiervoor het formulier 'Wijziging of intrekking verklaring geen privégebruik auto van de zaak ' downloaden van de site van de Belastingdienst.
Evenals de aanvraag voor de verklaring zelf moet de werknemer het formulier waarmee hij de verklaring wil wijzigen of intrekken sinds 1 juni 2009 zenden aan:
Belastingdienst/Centrale invoer
Postbus 2538
6401 DA Heerlen
Niet buiten werktijd gebruikte bestelauto
Bijtelling kan ook achterwege worden gelaten wanneer de bestelauto buiten werktijd niet gebruikt kan worden. Bijvoorbeeld indien buiten werktijd de bestelauto achter het hek blijft of de autosleutels op een centrale plaats in het bedrijf worden bewaard.
Verbod op privé-gebruik bestelauto
De bijtelling kan ook achterwege blijven als de werkgever een verbod voor privé-gebruik oplegt. Dit moet hij schriftelijk vastleggen en bij de loonadministratie bewaren. De werkgever moet voldoende toezicht houden op de handhaving en bij overtreding een passende sanctie opleggen.
Voldoende toezicht is volgens de staatssecretaris bijvoorbeeld het controleren van kilometerstanden, toezicht houden op boetes vanwege verkeersovertredingen, schademeldingen of de leasemaatschappij melding laten maken van het aantal gereden kilometers, brandstofverbruik of tanken buiten werktijd.
Een passende sanctie is bijvoorbeeld een geldboete of naheffing die in verhouding staat met de te betalen loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw of zelfs ontslag.
In een eerder besluit heeft de staatssecretaris al aangegeven dat de inspecteur van de Belastingdienst bij gegronde twijfel aan bovengenoemd toezicht nader bewijs kan eisen van de werkgever. Deze moet dan aantonen dat de werknemer geen privé-kilometers (of op jaarbasis maximaal 500 km) maakt met de auto van de zaak. Daarbij zal de inspecteur zeker ook vragen hoe de werknemer en zijn gezin normaal gesproken hun privé-kilometers afleggen als dat niet met de auto van de zaak gebeurt. Uiteindelijk bepaalt de rechter of er 'voldoende toezicht' is.
Afkoop bij wisselend gebruik van een bestelauto
Wordt een bestelauto door twee of meer werknemers gebruikt én rechtvaardigt de aard van de werkzaamheden dat doorlopend wisselend personeel gebruikmaakt van de bestelauto, dan geldt voor de werkgever een eindheffing van € 300 per auto per jaar bijtelling. Bij een maandaangifte betekent dat € 25 per maand. In dat geval vindt dus niet ook nog eens bijtelling plaats bij de individuele werknemers.
Een voorbeeld is de situatie van een installatiebedrijf met tien werknemers en vijf bestelauto's. Het is dan mogelijk dat werknemer A een bestelauto op maandagmorgen meeneemt voor een klus en vervolgens werknemer B de auto weer meeneemt voor een andere klus, op dinsdag de auto weer wordt meegenomen door werknemer C en zo de gebruiker steeds wisselt. In dergelijke gevallen is de geschetste 'afkoopregeling' toepasselijk. Dat geldt natuurlijk niet voor de situatie waarin u en uw collega allebei een bestelauto van de zaak hebben en besluiten de auto's maar dagelijks te gaan ruilen. In dat geval wordt het afwisselend gebruik niet opgeroepen door de aard van het werk.
LET OP: ter voorkoming van problemen achteraf luidt het advies aan werkgevers om in de hiervóór geschetste situaties vooraf een en ander kort te sluiten met de Belastingdienst.
Tegemoetkomingen bij privégebruik personenauto's
De laatste drie genoemde versoepelingen zijn ook in de wet opgenomen, maar de wettelijke bepalingen hebben alleen betrekking op bestelauto's.
Het is best mogelijk dat u in een personenauto van uw werkgever rijdt en uw werkgever het u verbiedt om die auto privé te gebruiken en overtreding van het verbod ook bestraft. Of misschien moet u de auto wel iedere avond op het terrein van uw werkgever achterlaten en kunt u als gevolg daarvan helemaal geen privé gebruik maken van de auto. Voor de autoverhuurbranche is via de site van de Belastingdienst een Voorbeeldovereenkomst verbod op privégebruik en gebruik woon-werkverkeer personenauto’s te downloaden.
Zoals al eerder is opgemerkt geldt er een zogenaamde vrije bewijsleer. Ook hier adviseren wij echter te allen tijde vooroverleg met de fiscus. Daarmee voorkomt u misschien dat het uitdraait op een procedure en het aan de rechter zal zijn om te beslissen of voldoende wordt bewezen dat er maximaal 500 km in privé wordt gereden met de auto. De hiervóór geschetste afkoopmogelijkheid geldt alleen bij bestelauto's.
(Collectieve) afspraak met de Belastingdienst
Als uw situatie niet voor één van de bovengenoemde versoepelingsregelingen in aanmerking komt, maar werknemers wél jaarlijks 500 km of minder privé-kilometers maken met een auto van de zaak, dan is het raadzaam altijd een (collectieve) afspraak te maken met de Belastingdienst. Zowel werkgever als werknemer komen dan niet achteraf voor verrassingen te staan.
Wachtdienstregeling
Als een auto voor een wachtdienst (een roulatiesysteem waarbij de werknemer een bepaalde periode oproepbaar moet zijn) wordt gebruikt, mag u de gereden kilometers tijdens deze wachtdienst als zakelijke kilometers aanmerken. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- U heeft als werknemer geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto.
- U beschikt privé over een auto die ook (of zelfs meer) voor privégebruik geschikt is.
- U bent verplicht om tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van de woonplaats te blijven.
- U moet het aantal kilometers dat u tijdens de wachtdienst rijdt en het aantal en de plaats van de werkzaamheden waarvoor u bent opgeroepen bijhouden.
Alternatieven voor rittenregistratie bestelauto verwacht
Komt u niet in aanmerking voor één van de hiervóór geschetste (wettelijke) mogelijkheden om onder de bijtelling voor de bestelauto van de zaak uit te komen? Dan rest er meestal nog maar één ding. Een sluitende kilometeradministratie overleggen. Maar er gloort hoop voor u. Staatssecretaris Weekers van Financiën heeft in zijn Autobrief van begin juni 2011 een aantal mogelijke alternatieven voor de rittenregistratie bekend gemaakt.. Over het gros daarvan moet nog overleg plaatsvinden met verschillende belangenorganisaties. Eén van de alternatieven denkt de staatssecretaris wel per 1 januari 2012 te kunnen invoeren. Het betreft daarbij de zogenaamde verklaring uitsluitend zakelijk gebruik. In wwerknemers-werkgeverssituaties dient deze dan opgesteld te worden door de werknemer en werkgever gezamenlijk. Daar waar het een bestelauto betreft die door de ondernemer zelf wordt gebruikt kan een dergelijk verklaring door de ondernemer worden opgemaakt.
De overige alternatieven zullen eerst moeten worden getoetst op haalbaarheid. Punt is in ieder geval wel dat een eventuele aanpassing budgetneutraal zal moeten plaatsvinden. Voor bepaalde alternatieven zou dan ook een compensatie moeten worden gevonden in de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Misschien dus toch wel een beetje vestzak-broekzak.
De werkgever en werknemer zijn vrij in het aantonen dat de werknemer niet meer dan 500 km privé rijdt met de auto van de zaak. Brengen de hiervoor genoemde tegemoetkomingen geen oplossing, of is sprake van een andere situatie, dan kunt u ook op een andere manier tegenbewijs leveren. De bewijslast die op u drukt is echter wel zwaar. Om problemen achteraf te voorkomen doet de werkgever er goed aan om vooraf met de Belastingdienst te overleggen.
Black box-systeem
Het zogenoemde black box-systeem met bijbehorende software legt automatisch een veelheid aan ritgegevens vast. Dit kan een gemakkelijk alternatief zijn voor het bijhouden van de rittenregistratie. De gebruiker moet wel steeds het karakter van de rit bepalen. Daarom moet hij/zij de rittenregistratie met een black box-systeem onderbouwen met andere gegevens, zoals een agenda. Duidelijk is, dat alleen het installeren van een black box de bijtelling niet voorkomt of vermindert. Een oplossing hiervoor is om een aanvullende afspraak te maken met de inspecteur, dat de kilometers die de werknemer rijdt gedurende bepaalde werktijden als zakelijk worden beschouwd. De inspecteur zal dan voorwaarden opstellen voor het op objectieve wijze vastleggen van de tijden en de gereden afstanden. Daarin kan een black box-systeem prima voorzien.
Vereenvoudigde registratie bestelauto’s
De belastingdienst heeft na overleg met onder meer VNO-NCW en EVO begin 2009 op haar site een voorbeeldafspraak over vereenvoudigde rittenregistratie voor bestelauto’s geplaatst.
Moet een werknemer door de aard van de werkzaamheden (vaak) veel ritten op een dag met de bestelauto van de zaak maken, dan kan het bijhouden van een rittenregistratie voor hem en zijn werkgever een grote (administratieve en financiële) last betekenen.
De werknemer mag dan om praktische redenen het bewijs voor het aantal gereden privékilometers leveren met een combinatie van:
- een vereenvoudigde rittenregistratie
- de zakelijke adressen in de (project)administratie van de werkgever
Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de werkgever schriftelijk met de werknemer heeft afgesproken dat:
- de werknemer een vereenvoudigde rittenregistratie bijhoudt
- privégebruik tijdens werk- en lunchtijd niet is toegestaan
- de werkgever de zakelijke adressen in zijn administratie heeft
Via de site van de Belastingdienst kunt u een voorbeeldafspraak downloaden.
Directeur-grootaandeelhouder
Van het Coördinatiepunt privégebruik auto hebben wij vernomen dat de directeur groot aandeelhouder in het kader van de vereenvoudigde rittenregistratie wordt gezien als een ‘gewone’ werknemer. Wordt aan de voorwaarden voldaan, dan kan hij de vereenvoudigde rittenregistratie toepassen.
Ondernemer en resultaatgenieter
De regeling gold in eerste instantie niet voor ondernemers en resultaatgenieters. In een later stadium is de regeling echter ook opengesteld voor deze categorieën belastingplichtigen. Bent u ondernemer of resultaatgenieter en rijdt u met uw bestelauto vaak veel ritten op een dag voor uw werk, dan kunt ook u het bewijs dat u niet meer dan 500 privékilometers rijdt, leveren met een combinatie van:
- een vereenvoudigde rittenregistratie
- de zakelijke adressen in de (project)administratie
Privé-gebruik tijdens werk- en lunchtijd is niet toegestaan. U moet wel zorgen voor een nauwkeurige registratie en de onttrekking voor het privégebruik van de bestelauto moet terecht achterwege zijn gelaten. Bij de administratie kunt u dan gebruik maken van het voorbeeld van de vereenvoudigde rittenregistratie dat deel uitmaakt van de hierboven reeds genoemde voorbeeldafspraak.
Als u voor het privégebruik van de auto een vergoeding moet betalen aan uw werkgever, dan kan de werkgever deze ieder loontijdvak in mindering brengen op de berekende bijtelling.
Voorbeelden zijn bijdragen voor parkeerkosten, accessoires, een hoger leasebedrag voor een auto uit een duurdere klasse, de afkoopsom van het leasebedrag bij het einde van de dienstbetrekking en een vast bedrag per gereden privé-kilometer.
LET OP: Voorwaarde voor de verrekening is dat werkgever en werknemer vooraf zijn overeengekomen dat de eigen bijdrage een bijdrage is voor privégebruik. Voor de eigen bijdrage van de werknemer bij schade geldt een aanvullende voorwaarde: de schade mag niet het gevolg zijn van onrechtmatig of onzorgvuldig handelen van de werknemer.
Kosten die aan derden zijn betaald, komen slechts bij hoge uitzondering in mindering op de bijtelling. Bijvoorbeeld als de kosten zijn betaald ten behoeve van de werkgever én contractueel is bepaald dat de betaling als bijdrage voor het privégebruik wordt aangemerkt.
Is de eigen bijdrage in verband met het privégebruik van de auto van de zaak in een loontijdvak hoger dan de bijtelling voor het desbetreffende loontijdvak, dan mag uw werkgever in dat loontijdvak rekenen met het negatieve bedrag. Voorwaarde is wel dat over het gehele jaar bezien de bijtelling uitgaat boven de eigen bijdrage.
Het is mogelijk dat er een norm-leasebedrag geldt en dat wanneer de werknemer een duurdere auto uitkiest en het normleasebedrag wordt overschreden, er door de werknemer een eigen bijdrage (bovennormbijdrage) is verschuldigd. In een zaak die in 2008 bij Hof Den Bosch speelde, bleek uit het opgemaakte reglement dat de werknemer de bovennormbijdrage altijd verschuldigd was, ook als de auto voor minder dan 500 kilometer op jaarbasis werd gebruikt voor privé-doeleinden. Volgens Hof Den Bosch volgde hieruit dat de bovennormbijdrage niet alleen zag op het privégebruik, maar ook op het zakelijke gebruik van de auto.
Daarom moest de bovennormvergoeding worden gesplitst naar rato van het zakelijk en het privégebruik en mocht alleen het deel dat zag op het privégebruik in mindering worden gebracht.
In een vergelijkbare zaak had Rechtbank Haarlem nog in het voordeel van de belastingplichtige beslist en het privé-motief van de bovennormbijdrage als doorslaggevend aangemerkt. Dus daar hoefde de bovennormbijdrage niet te worden verdeeld naar gelang het aantal verreden privé- en zakelijke kilometers.
Inmiddels heeft de Hoge Raad medio 2010 conform de uitspraak van Hof Den Bosch beslist. Werkgevers met een regeling waarin een verschil wordt gemaakt in de behandeling van de ‘normbijdrage’ en de bovennormbijdrage waarbij die bovennormbijdrage ook verschuldigd is door werknemers die op jaarbasis 500 km of minder rijden met de auto van de zaak, doen er goed aan om samen met hun adviseur te bezien of de regeling moet/kan worden aangepast. De GIBO Groep heeft inmiddels voor twee mogelijke alternatieven schriftelijk groen licht gekregen van het speciale Landelijk Coördinatiecentrum auto (LCA) van de Belastingdienst.
Vergoeding voor parkeergelegenheid
Vergoedt, of verstrekt uw werkgever parkeergelegenheid voor de auto van de zaak bij de plaats van werkzaamheden, dan is die vergoeding/verstekking onbelast. Het doet er daarbij niet toe of u de werkkostenregeling toepast of nog gebruik maakt van de overgangsregeling.
Vergoedt of verstrekt uw werkgever parkeergelegenheid in of bij uw woning, dan is die vergoeding/vertrekking onder de overgangsregeling belast.
Onder de werkkostenregeling kan de vergoeding/verstrekking voor parkeerruimte onder voorwaarden wel onbelast worden vergoed, Uit het Handboek loonheffingen 2011 blijkt het volgende:
- Heeft u een parkeervergunning op uw naam voor een parkeergelegenheid bij uw woning die ook gebruikt kan worden voor andere auto's? Dan behoort de vergoeding van de kosten van de parkeervergunning of de verstrekking of terbeschikkingstelling in beginsel tot uw belaste loon.
- Heeft u een parkeervergunning die alleen bestemd is voor de auto van de zaak (op kenteken), dan mag uw werkgever de kosten voor de vergunning sowieso onbelast vergoeden. Er wordt dan vanuitgegaan dat sprake is van zogenaamde intermediaire kosten. Hebt u de vergunning verstrekt of ter beschikking gesteld, dan is dit onbelast.
- Zet u de auto van de zaak in uw garage, dan is er van een verhuursituatie. Uw werkgever kan u dan voor het gebruik van de garage een onbelaste vergoeding geven. Blijft de garage u geheel of gedeeltelijk ter beschikking staan, bijvoorbeeld voor opslag, dan is de vergoeding voor het gebruik van de garage wel loon voor u. De werkgever mag de vergoeding/verstrekking echter ook onder de forfaitaire ruimte brengen.
De bijtelling van de auto van de zaak die de ondernemer zelf gebruikt wordt niet in de loonheffing betrokken. De ondernemer moet de bijtelling voor het privégebruik van die auto bij zijn winst optellen en is daar dus inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekeringswet over verschuldigd.
Het is voor een ondernemer niet goed mogelijk om voor zichzelf een verbod op het privégebruik van een auto in te stellen. Dit maakt een rittenregistratie (in de meeste gevallen) noodzakelijk. Het is mogelijk om met de inspecteur te overleggen of de registratie achterwege kan blijven in specifieke gevallen. Bijvoorbeeld als er in het ondernemersgezin slechts één rijbewijs aanwezig is en men beschikt over een privé-auto die veel geschikter is voor het privégebruik dan de bedrijfsauto.
Kilometers die de ondernemer rijdt voor andere werkzaamheden zijn in beginsel privé-kilometers. Daarop gelden echter een aantal uitzonderingen. Wij verwijzen u daarvoor naar hetgeen hierna is opgemerkt onder het kopje 'Gebruik auto voor andere doeleinden'.
Bent u ondernemer of resultaatgenieter en rijdt u met uw bestelauto vaak veel ritten op een dag voor uw werk, dan kunt u het bewijs dat u niet meer dan 500 privékilometers rijdt, leveren aan de hand van een vereenvoudigde rittenregistratie. Voor de uitwerking daarvan en de voorwaarden daaraan verwijzen wij graag naar hetgeen hierover reeds eerder in dit document is opgemerkt.
Voor de vaststelling van de autokosten tellen in principe alle auto's mee die in de onderneming aanwezig zijn en voor privégebruik ter beschikking staan. Ongeacht of deze tot de handelsvoorraad behoren of als bedrijfsmiddel te boek staan.
In een besluit heeft de staatssecretaris aangegeven dat voor de betrokkene (en het gezin) voor twee auto's een bijtelling in aanmerking moet worden genomen. Is sprake van een alleenstaande ondernemer/directeur-grootaandeelhouder of als in het gezin slechts één persoon een rijbewijs heeft, is de norm bijtelling voor één auto. Mocht de inspecteur van mening zijn dat er voor meer auto's moet worden bijgeteld, dan ligt de bewijslast daarvoor bij hem.
Heeft u als ondernemer of dga (en het gezin) gedurende de loop van het jaar de beschikking over één of enkele specifieke auto('s), dan zal voor de berekening van de onttrekking/bijtelling worden aangesloten bij de voor die auto's geldende catalogusprijs, dan wel (voor auto's ouder dan vijftien jaar) de waarde in het economische verkeer. Is sprake van (ook voor privé-doeleinden ter beschikking staande) auto's die afwisselend daarvoor worden gebruikt, dan wordt uitgegaan van de gewogen gemiddelde catalogusprijs van de auto's die de betrokkene, gelet op zijn of haar positie in het bedrijf, ter beschikking staan.
Specifieke regeling autodealers
Door (veel) wisselend gebruik van auto’s is het in de autobranche vaak moeilijk om de grondslag voor de bijtelling van het privégebruik vast te stellen. Hiervóór hebben we al gewezen op de Handreiking Bijtelling privégebruik auto.voor de autobranche. Deze handreiking is ook van toepassing op de ondernemer zelf. Een korte samenvatting van de handreiking en de daaraan verbonden voorwaarden vindt u elders in dit document.
Wilt u aantonen dat u überhaupt niet meer dan 500 km op jaarbasis privé rijdt met een auto, dan kunt u niet volstaan met verwijzen naar een handelaarskenteken, omdat dit slechts één bewijsstuk is dat er geen privégebruik is gemaakt van de auto. U doet er dan goed aan aanvullend bewijs te overleggen, bijvoorbeeld een volledig bijgehouden rittenregistratie.
Wilt u als garagehouder aannemelijk maken, dat bepaalde kilometers zijn gereden als proefrit, dan is het verstandig dat bij iedere proefrit door de cliënt een verklaring wordt ondertekend met de begin- en eindstand van de kilometerteller. Overleg met de inspecteur over de manier waarop u dit tegenbewijs kunt leveren is dan uiteraard verstandig. Zo zal de inspecteur bijvoorbeeld gevoelig kunnen zijn voor het argument dat uw privé-auto('s) uw behoefte volledig dekken en dat daarom gebruik van auto's uit het wagenpark niet voor de hand ligt.
Kilometers die de werknemer/ondernemer rijdt voor een andere dienstbetrekking of een andere onderneming zijn in beginsel privé-kilometers. Dat geldt niet in de onderstaande situaties.
Bij loon uit (andere) dienstbetrekking:
- als de auto van de zaak mede namens de andere werkgever ter beschikking wordt gesteld, of
- als men de werknemer de andere dienstbetrekking uitoefent binnen het kader van de eerste dienstbetrekking.
Bij winst uit (andere) onderneming:
- als een zakelijke vergoeding voor de kosten van dat gebruik in de winst is opgenomen, of
- als het loon uit dienstbetrekking deel uitmaakt van de winst uit onderneming.
Hieronder volgen een aantal voorbeelden uit de praktijk, waarbij ook de gevolgen bij gebruik van de auto van de zaak voor andere doeleinden worden geschetst.
LET OP: een hoog aantal kilometers in verband met de andere werkzaamheden en overig privégebruik zou kunnen leiden tot een hogere bijtelling respectievelijk onttrekking voor privégebruik. Zie ook de noot.
Werknemer gebruikt de auto van de zaak voor zijn onderneming
Wanneer een werknemer zijn auto van de zaak tevens gebruikt voor zijn eigen onderneming, dan kan hij een evenredig deel van de bijtelling ten laste van zijn winst uit onderneming brengen. Daarvoor geldt de volgende formule: kilometers andere werkzaamheden/totale privé-kilometers x het loon in natura.
Het loon in natura komt overeen met het bruto bedrag van de bijtelling voor privégebruik vermeerderd met het bedrag waarmee de vergoeding aan de werkgever de bruto-bijtelling overtreft (c.q. de voor privérekening genomen kosten deze bijtelling overtreft).
Voorbeeld
Werknemer X heeft een auto van werkgever A ter beschikking met een cataloguswaarde inclusief accessoires van € 20.000. Voor het privé-gebruik betaalt hij een vergoeding aan de werkgever A van € 1.000. De gereden kilometers bedragen in het jaar 30.000 km. Hiervan is 14.000 km (vanuit de dienstbetrekking bij A bezien) voor privé-doeleinden gereden. De werkgever moet nu op het maandelijkse loon over € 300 (1/12 van {(25% x € 20.000) -/- € 1.400}) loonheffing inhouden en afdragen. '
Binnen' het privé-gebruik moet iedere 'soort' kilometers op zijn eigen merites worden bezien. Stel nu dat X in verband met zijn onderneming 7.500 km rijdt. Het door X ten laste van zijn ondernemingsresultaat te brengen bedrag luidt dan als volgt:
7.500/15.000 x € 3.600 = € 1.800.
Gebruik auto van de zaak voor resultaat uit (andere) werkzaamheid
Het voorgaande geldt ook wanneer de werknemer de auto van de zaak gebruikt voor resultaat uit overige werkzaamheden. In dat geval kan hij een evenredig deel van de bijtelling ten laste van het resultaat brengen aan de hand van de hiervoor weergegeven formule.
Gebruik auto van de zaak voor een (andere) dienstbetrekking
Wanneer de werknemer/ondernemer de auto van de zaak gebruikt voor andere in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden, dan geldt de normale bijtelling/onttrekking. De (andere) werkgever kan dan eventueel wel een belastingvrije reiskostenvergoeding verstrekken, op basis van hetgeen hierna is opgenomen over de reiskostenvergoeding.
Vervoer in verband met geneeskundige hulp of ziekenbezoek
Gebruikt de werknemer/ondernemer de auto in verband met genees-/verloskundige hulp (bijvoorbeeld artsenbezoek), dan mag hij een evenredig deel van de bijtelling in aanmerking nemen bij de becijfering van zijn specifieke zorgkosten. Wanneer er sprake is van een eigen bijdrage kan het evenredig deel van de bruto bijtelling worden vermeerderd met een evenredig deel van het bedrag waarmee de vergoeding aan de werkgever de bruto-bijtelling overtreft. Voor een voorbeeld van een cijfermatige uitwerking verwijzen wij u naar het voorbeeld onder het kopje Werknemer gebruikt de auto van de zaak voor zijn onderneming.
Wordt de auto gebruikt voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de werknemer/ondernemer bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde én de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de werknemer/ondernemer en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer dan 10 kilometer is, dan mag de werknemer/ondernemer € 0,19 per kilometer in aanmerking als uitgave voor ziekenbezoek.
Gebruik auto van de zaak voor reizen in het kader van giften
Als de door de werknemer/ondernemer verreden kilometers volgens de giftenregeling als gift in aanmerking kunnen worden genomen en hij/zij ziet af van vergoeding van die kosten, dan mag hij/zij € 0,19 per kilometer als gift in aanmerking nemen. Dat geldt ook wanneer er vanwege de slechte financiële positie van de ANBI (algemeen nut beogende instelling) geen (volledige) declaratiemogelijkheid is. Tevens moet dan duidelijk zijn dat naar maatschappelijke opvattingen wel een vergoeding zou moeten worden gegeven. De niet-vergoede meerkosten komen dan in beginsel in aanmerking voor aftrek binnen de beperking van € 0,19 per kilometer.
De Belastingdienst accepteert de administratie in ieder geval als deze sluitend is en kan worden onderbouwd met een agenda en (afschriften van) garagenota’s. Er mogen geen hiaten in de administratie zitten.
Voor het bijhouden van uw rittenadministratie kunt u gebruik maken van ons rittenregistratieboekje dat u, mits nog voorradig, op http://www.gibogroep.nl/ kunt aanvragen. Daarnaast vindt u op onze website een rekenmodel dat kan worden gebruikt in de (meest voorkomende) situatie waarin de auto maar één gebruiker heeft.
Toelichting tot het invullen van het rittenregistratieboekje/rekenmodel
Ter zake van het bijhouden van het rittenregistratieboekje en het rekenmodel kan nog het volgende worden opgemerkt:
Codering van (privé)ritten
Zoals u onder het kopje Gebruik auto voor andere doelen kunt lezen kan het bijhouden van bijzondere privé-kilometers voordelen bieden. Daar is in zowel het rittenregistratieboekje als in het digitale rekenmodel rekening mee gehouden.
U kunt onderstaande codes gebruiken voor de overige privé-ritten:
|
Zi
|
Regelmatig ziekenbezoek*
|
|
D
|
reizen tweede dienstbetrekking
|
|
O
|
reizen i.v.m. onderneming/res. overige werkzaamheden**
|
|
A
|
reizen i.v.m. bezoek arts of tandarts etc.***
|
|
G
|
reizen aan te merken als gift
|
|
W
|
Woon-werk verkeer (toets reiskostenvergoeding)****
|
|
Z
|
Zakelijk verkeer (salderingsregeling reiskostenvergoeding)****
|
* Reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer)
** ‘Res. overige werkzaamheden’ (res. = resultaat) staat voor werkzaamheden die u buiten dienstbetrekking verricht, maar die geen winst uit onderneming vormen, zoals bijvoorbeeld freelance werkzaamheden. U kunt een zogenaamde VAR (verklaring arbeidsrelatie) aanvragen bij de Belastingdienst. Het aanvraagformulier kunt u downloaden van de site van de Belastingdienst, www.belastingdienst.nl. De VAR biedt meer zekerheid, maar is slechts één jaar geldig.
*** Vervoer dat in aanmerking komt voor als specifieke zorgkosten aan te merken kosten (bijvoorbeeld)
**** Deze codes kunnen van belang zijn in het geval u met uw eigen auto reist en daarvoor een reiskostenvergoeding van uw werkgever ontvangt. Overleg met uw werkgever / belastingadviseur over het gebruik van de codes W en Z, want dit is niet in alle gevallen nuttig om te registreren. Dat is afhankelijk van de reiskostenvergoeding. Zie ook hetgeen hierna is opgemerkt over de reiskostenvergoeding.
Reiskostenvergoeding door de werkgever
|
Dit gedeelte van de toelichting slaat niet (meer) op de bijtelling. Het is een toegift omdat u het rittenregistratieboekje ook kunt gebruiken voor het bijhouden van uw kilometeradministratie om andere redenen.
|
Een werkgever moet voor iedere medewerker de reiskostenvergoedingen bijhouden en onderbouwen met een specificatie van het aantal kilometers per reis. Voor woon-werk en andere zakelijke kilometers mag de werkgever € 0,19 per kilometer belastingvrij vergoeden, ongeacht de wijze van vervoer en de reisafstand. Deze vergoeding is niet verplicht, tenzij de CAO anders voorschrijft. In principe geldt dus ook voor het woon-werkverkeer een declaratiesysteem. De werkgever mag daarbij wel uitgaan van een vast bedrag per uitbetalingsperiode voor regelmatig woon-werkverkeer, mits hij aan het eind van het jaar (of, als de dienstbetrekking tijdens het kalenderjaar eindigt, in het loontijdvak dat volgt op de maand waarin de dienstbetrekking eindigt) het aantal kilometers nacalculeert en eventuele teveel uitgekeerde vergoeding verrekent met de werknemer. Dit is erg bewerkelijk. De fiscus biedt daarom twee vereenvoudigde regelingen voor werknemers die naar een vaste werkplek reizen.
Werkkostenregeling of overgangsregeling
Werkgevers moeten sinds 1 januari 2011 de werkkostenregeling toepassen, tenzij zij kiezen voor toepassing van het overgangsrecht. Op grond van overgangsrecht kan de werkgever in de jaren 2011 tot en met 2013 er per kalenderjaar voor kiezen om voor alle werknemers het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen te hanteren op basis van de wettelijke bepalingen zoals die golden op 31 december 2010.
Bij toepassing van de werkkostenregeling mag de werkgever gebruik maken van een zogenoemde forfaitaire ruimte voor door hem/haar aan te wijzen loonbestanddelen. Daarnaast bestaan er echter ook zogenoemde gerichte vrijstellingen. Daartoe behoren ook bepaalde vergoedingen van reiskosten en verstrekkingen van vervoer door de werkgever. Zo geldt bijvoorbeeld standaard een gerichte vrijstelling voor vervoer van 0,19 per kilometer. Dat komt overeen met de maximale onbelaste vergoeding in het oude systeem. Een uitvoerige uiteenzetting over de werkkostenregeling vindt u elders op onze website.
De hieronder geschetste methoden gelden voor beide systemen. Enig verschil is dat wanneer gekozen wordt voor de werkkostenregeling het bovenmatige deel van een vergoeding (dus het deel dat niet gericht is vrijgesteld) nog (deels) onder de forfaitaire ruimte zou kunnen worden gebracht.
Methode 1
Voor werknemers die op jaarbasis ten minste 70% van 52 weken = 36 weken werken op een vaste arbeidsplaats (tot maximaal 75 kilometer enkele reisafstand) mag de werkgever een vaste kostenvergoeding hanteren. Daarbij gaat hij uit van 214 werkdagen. In dat geval mag hij op jaarbasis de volgende formule toepassen: 214 dagen x aantal km’s retourafstand per dag x (maximaal) 0,19 euro. Bij een parttimedienstverband moet dit naar evenredigheid worden aangepast. De werkgever mag deze vaste reiskostenvergoeding ook doorbetalen tijdens kortstondige afwezigheid van maximaal zes aaneensluitende weken.
Voor een werknemer die in deeltijd werkt of een aantal dagen per week naar een vaste arbeidsplaats reist, kan deze methode naar evenredigheid worden toegepast. Als een werknemer in deeltijd bijvoorbeeld doorgaans drie dagen per week naar een vaste arbeidsplaats reist, moet de uitkomst van de berekening met factor 0,6 (3/5) te worden vermenigvuldigd.
Het invullen van een rittenboekje voegt hier weinig toe. Dat wordt anders, als de enkele reisafstand woning-werk meer dan 75 kilometer bedraagt. In dat geval is namelijk nacalculatie van de vaste kostenvergoeding verplicht. Als bij nacalculatie blijkt dat de vergoeding voor een deel bovenmatig is, moet de werkgever wanneer hij gebruik maakt van de overgangsregeling dit bovenmatige deel tot het loon rekenen of laten terugbetalen. Maakt de werkgever gebruik van de werkkostenregeling, dan kan hij het eventuele bovenmatige gedeelte in de forfaitaire ruimte onderbrengen. De nacalculatie vindt plaats aan het einde van het kalenderjaar. Eventueel kan de werkgever daarbij variabele kilometervergoedingen salderen zoals hierna onder het kopje Variabele kilometervergoeding en salderingsregeling is beschreven.
Methode 2
Methode 1 heeft als nadeel dat deze eigenlijk alleen kan worden toegepast bij werknemers die altijd naar dezelfde arbeidsplaats reizen. Daarom kan de werkgever sinds 1 januari 2007 ook voor een andere methode kiezen. De werkgever mag voor een werknemer die minstens 128 dagen een vaste werkplek heeft een vaste onbelaste vergoeding betalen alsof die werknemer 214 dagen per jaar op die plek werkt. De werknemer kan hierdoor tot twee dagen per week thuiswerken met behoud van de onbelaste reiskostenvergoeding. Zolang de werknemer de 128 dagen maar haalt, maakt het ook niet uit of de werknemer tussendoor een korte periode niet reist vanwege dienstreizen, vakantie of ziekte. De maximale vaste vergoeding kan op basis van deze methode op de volgende manier worden berekend: 214 dagen x aantal kilometers retourreisafstand x 0,19 euro.
Het aantal van 214 en 128 dagen moet naar evenredigheid worden toegepast als:
- de werknemer niet gedurende vijf dagen per week werkt,
- de dienstbetrekking begint of eindigt in de loop van het kalenderjaar,
- de reisafstand verandert (bijvoorbeeld door overplaatsing of verhuizing) of
- de werkgever de vaste reiskostenvergoeding stopzet.
Salderingsregeling bij variabele kilometervergoeding
In sommige gevallen is het mogelijk om reiskostenvergoedingen eerst onbelast te verstrekken, om vervolgens na afloop van het jaar te berekenen of er op basis van het totaal aantal verreden kilometers, de mogelijke onbelaste vergoeding en de werkelijk betaalde vergoeding nog een belast deel overblijft. Dat belaste deel wordt dan in de maand januari volgend op het desbetreffende belastingjaar belast tegen het tarief bijzondere beloningen.
Deze optie kan zeker bij het gebruik van verschillende kilometervergoedingen – bijvoorbeeld een lagere vergoeding voor woon-werk en een hogere vergoeding voor overig (zakelijk) vervoer – voordelen opleveren. Uw GIBO-adviseur helpt u graag bij het in kaart brengen van de mogelijkheden.
Salderingsregeling bij variabele kilometervergoeding onder werkkostenregeling
Vanaf 1 januari 2011 kan en vanaf 1 januari 2014 moet de werkkostenregeling worden toegepast. Ook onder de werkkostenregeling is een salderingsregeling van toepassing. In dat geval is er echter geen keuzemogelijkheid, maar is saldering een verplichting. Daarnaast moet de saldering ook plaatsvinden aan het eind van het jaar (of het einde van de dienstbetrekking indien die in de loop van het jaar eindigt). Dat wil dus zeggen dat onder de nieuwe regeling de saldering moet plaatsvinder in jaar zelf.
Overigens bestaat de mogelijkheid om het bovenmatige gedeelte onder de werkkostenregeling in de vrije ruimte op te nemen en hoeft het niet per sé als belaste looncomponent voor de vwerknemer te worden verwerkt. Voor een uitgebreide uiteenzetting van de werkkostenregeling verwijzen wij u naar elders op onze website.
Noot
We hebben het vaak over een standaardbijtelling van tenminste (!) 25% van de catalogusprijs. De inspecteur kan namelijk bij veel privékilometers ('excessief privégenot') een hogere bijtelling in aanmerking nemen. Betreft het een zuinige of zeer zuinige auto, dan wordt van de aldus berekende bijtelling 5%, respectievelijk 11% afgetrokken. De inspecteur moet wel kunnen aantonen dat het voordeel dat de werknemer heeft groter is dan 25% van de cataloguswaarde. Dat laatste is meestal zo moeilijk dat de inspecteur zich daar niet aan waagt en toch het forfaitaire percentage van 25% als uitgangspunt neemt. Daarmee komen we uit op een percentage van een bijtelling van 25%, 20% of 14% van de catalogusprijs. In geval van nulemissie-auto’s wordt voor de jaren 2010 tot en met 2014 de bijtelling van tenminste 25% verlaagt met 25% tot op (tenminste) 0%.
Terug naar tekst